Kwartierstaat van Johanna van der Spoor
Geraadpleegde literatuur.
A. Nelemans, Sepulture ofte Graftboeck van de Augustijnenkerck te Dordrecht (Sliedrecht 1998).
I. Johanna (Anna) van der Spoor, gedoopt NG Dordrecht 5 aug. 1735, trouwde NG Oene (ambt Epe) 12 mei/13 juni 1755 ds. Jerphaes Benjamin van Blijenburgh, gedoopt NG Amsterdam 6 juli 1727 (Westerkerk, getuigen; Jerphaes Duijm en Mensia Duijm), zoon van Nicolaes van Blijenburg en Geertruij Duijm
Kinderen (allen NG gedoopt te Oene):
a. Nicolaes Govert, 2 mei 1756
b. Gerhard, 14 mei 1758
c. Johannes, 13 april 1760
d. Alida Maria, 8 nov. 1761
e. Jan Willem, 29 april 1764
f. Geertrui van Blijenburgh, 14 sept. 1766, overleden Amsterdam 10 april 1808, trouwde 's-Gravenland 28 april 1790 Gisbertus Matthias Royaards, geboren Opijnen 23 juni 1764, koopman te Amsterdam, overleden ald. 17 juni 1825, zoon van ds. Philippus Royaards, Ned. Geref. predikant te Opijnen en Heesselt (1741) en van Catharina Geertruid Peiffers. (Nederland's Patriciaat 80e jaargang [1997], p. 331)
g. Johanna Helena Jenetta 30 okt. 1768
h. Anthonij, 28 jan. 1770
2. Govert van der Spoor, gedoopt NG Dordrecht 14 april 1708, jongman van Dordrecht wonende in de Stoofstraat (1731), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 11/27 mei 1731
3. Alida Vermander (Vermande, Van Mander) gedoopt NG Dordrecht 3 april 1706, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Wijnbrug (1731), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 mrt. 1755 (Alida Vermander vrouw van Govert van der Spoor in de Oude Breestraat, laat kind na, met één koets boven het getal)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht);
a. Isaac, 9 mrt. 1732
b. Janetta, 14 april 1733
c. Jenetta, 30 juni 1734
d. Johanna, 5 aug. 1735
e. Jenetta, 25 juni 1738
f. Jacob, 14 dec. 1740
g. Jenetta, 12 sept. 1742
4. Jacobus van der Spoor, jongman van Steenbergen wonende bij de Grote Kerk van Dordrecht (1700), garentwijnder wonende in de Vriesestraat (vermeld 1720), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 28 mrt. 1720 (Jacobus van der Spoor in de Oude Breestraat), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 11 april/2 mei 1700 (de buidegom geassisteerd met zijn neef Mighiel van der Spoor en met schriftelijk consent van zijn vader, de bruid geassisteerd met haat tante Jael Hovius en met schriftelijk consent van haar moeder)
5. Jannetta van Tricht, gedoopt NG Dordrecht 14 mrt. 1681 jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Schrijversstraat (1700), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 9 jan. 1722 (Jenette van Tright, weduwe van Jacob van der Spoor, in de Oude Breestraat)
- 19 febr. 1714: Jacob van der Spoor en Jannette van Tricht, echtelieden en burgers van Dordrecht, verklaren, dat hun tante Maria van Tricht, weduwe van Simon de Later, in haar testament, gepasseerd voor notaris B. van Gelsdorp te Dordrecht in jan. 1714, aan hun kinderen een bedrag van 100 gl. gelegateerd heeft, welk bedrag zij uit handen van de voogden, Pieter Immenhoff, medicus te Dordrecht en Andries Papegaij, binnenvader in het H. Geesthuis, hebben ontvangen. (ONA Dordrecht inv. 536, akte 8)
- 6 mrt. 1720: comp. Jacoba Plomp, weduwe van Willem van Terneij, IJsabella Dircx, weduwe van Dirck de Bruijn, Caatje Hotta, weduwe van Jacobus van der Kae, Saertje de Bij, jonge dochter en Marta van Nieuwestijn, vrouw van Sijme van der Heggen, allen naaste buren van Jacobus van der Spoor, garentwijnder wonende in de Vriesestraat. Zij leggen op verzoek van diens vrouw, Janetta van Tricht, een verklaring af. Jacoba Plomp verklaart "dat sij getuijge omtrent drie jaren geleden ... seer dickwils en verscheijde malen gesien heeft dat de voorn. Jacobus van der Spoor droncke was, en alsdan sijn voornoemde huijsvrouw seer qualijck bejegende met vloecken, drijgen ende slaen, oock verscheijde malen gesien te hebben dat hij het eeten dat sijn vrouw voor hem en sijn kinderen had claer gemaeckt op de vloer heeft gesmeten, oock dat hij sijn vrouw bij 't hair gevat en met het hooft tegens de gront stiet, onder eijsselijck vloecken ende sweeren. Voorts verclaerde de tweede getuijge, IJsabella Dircx, dat sij omtrent twe jaren geleden op de camer int huijs van den voorn. Jacobus van der Spoor den tijt van 11 maenden heeft gewoont, en bij die occasie heeft gesien, dat den voorn. Van der Spoor meest alle dagen en sulx genoegsaem doorgaens en althoos droncke was, dat hij Van der Spoor sijn vrouw althoos qualijck bejegende met vloecken, schelden en thieren, deselve niet alleen dickwils heeft gedrijgt te sulle vermoorde", waarbij zij zijn vrouw te hulp is gekomen, "maer oock op seeckere tijt te hebbe gesien, dat den voorn. Van der Spoor, seer droncke sijnde, een hamer heeft gehaelt, daeraen een lange scherpe punt was, die hij met grote vehementie op nam en, soo het scheen, voornemens was om sijn vrouw daer mede het hooft in te slaen, dat sij getuige sulx siende toegeschoten en hem agter over gesmete, en die hamer meester is geworden, waer op denselve Van der Spoor weder op staende een blote deege heeft gehaelt en daermede weder is aen comen lopen naer sijn voorn. vrouw, steeckende naer de selven, dog dat die deege door de getuijge al mede is ontweldigt ... sijnde sij getuijge nae haer vertreck nog meenig malen naer het huijs van den voorn. Van der Spoor gehaelt, soo bij dag als bij nacht, om sijne huijsvrouw te helpen en voor ongelucken te bevrijden en haren man sijn boos voornemen te stuijtenen sulx nog niet lange geleden te zijn. Voorts verclaerde de derde getuijge, Caetje Hotta ..., dat sij omtrent de 2 jaren geleden in het huijs van den voorn. Van der Spoor is geroepen, ter oorsake daer moort en brant gescreuwt wert en alsdoen te hebben gesien, dat in sijn huijs aen den haert een bloot mes stont, seggende sijn vrouw dat haer man haer daer mede dreijgde den hals aff te snijden", dat hij "bij die occasie zijn vrouw seer drijgde en tegen deselve eijsselijck vloeckte, dat deselve vrouw van Van der Spoor oock op verscheijde tijden aen haer huijs is comen vlugten en dat haer man haer verscheijde rijsen tot aen haer getuijgens huijs heeft komen naelopen. Nog verclaerde de voorn. Saertje van der Bij omtrent vier weken geleden gesien te hebben dat den voorn. Van der Spoor een tang van den haert genome ende daer mede naer sijn voorn. vrouw grslagen heeft, 't geen haer sodanig op haer arme getroffen heeft , dat sij daervan op de aerde gevallen en 't eenemael van haer selve is geweest, werdende daer op hare buren in huijs geroepen, alsoo sij dagte dat de voorn. vrouw dood was. Eijndelijck verclaerde de laetste getuijge Marta van Nieuwestijn [tijdens het laatstgenoemde incident] in het voorn. huijs den voorn. Van der Spoor te sijn gecomen, alwaer meer andere buren waren, hebbende de vrouw van Van der Spoor van haer selve zien legge, ende als oft sij dood was, hebbende voorts de selve Van der Spoor alsdoen nog hore segge, ick salse vermoorde, ick salse den hals breecke ... dat sij getuijge den voorn. Van der Spoor met rede soeckende ter neder te setten ... , seggende Van der Spoor, denck je niet datter een God is en diergelijc, denselve Van der Spoor daer op seijde praetje van God, praet van de duvel, en andere schrickelijcke sake, die alhier om redene niet sulle werde geëxprimeert. Voorts verclaerde de drie laetste getuijgen dat de voorn. Van der Spoor soo quaet aerdig is ", dat er niemand meer is, die in zijn huis durft te komen om zijn vrouw te helpen, dat het noodzakelijk is, dat hij wordt vastgezet, omdat er anders ongelukken zullen gebeuren, dat "de vrouw en kindren van den voorn. Van der Spoor dagelijcx vole schrick en vrees zijn, datter oock een kind van hem door schrick en continuele alteratie albereijts beroert ofte lam is ... gewerden, ende voorts dat de voorn. vrouw en kinderen van den gemelten Van der Spoor door sijne continuele dronckenschap en grote quaetaerdigheijt dagelijx aen drijgende ongelucken sijn geëxponeert". (ONA Dordrecht inv. 616, f. 39 e.v.)
- 28 mei 1720: begraven Jacobus van der Spoor, in de Oude Breestraat, "sonder goed" (Weeskamer Dordrecht inv. 113, f. 89)
- 10 jan. 1722: begraven Jenneken van Tricht weduwe, in de Oude Breestraat, de kinderen in het Weeshuis (Weeskamer Dordrecht inv. 113, f. 35v)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Henrick, 5 jan. 1701
b. en c. Nicolaes en Govert, 13 dec. 1702
d. Nicolaus, 21 dec. 1704
e. Govert, 2 april 1707
f. Govert, 14 april 1708
g. Anna, 27 mrt. 1711
h. Willem, 8 okt. 1714
i. Barbara, 11 mei 1717
6. Isaac van Mandelen (Vermandel/Vermander), gedoopt NG Dordrecht 17 juni 1675, ca. 1696 drost, dijkgraaf en gaarmeester te Hagestein, bakker, overleden te Batavia in Oost-Indië tussen 1716 en 1724, trouwde naar schatting ca. 1695
7. Anna Vligerius (Vigerius, Vezelius, Vregels), geboren naar schatting ca. 1670, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 16 jan. 1725 (Anna Vregelis, weduwe van Yssaack van der Mander, naast de Vriesestraatssteiger, met vijf kinderen, met de "ordinaire" koetsen)
Dat Isaac een zoon was van Dirck Vermander en Henrica Lottum (kwartieren 12 en 13) blijkt uit de aantekeningen in een familiebijbel, gemaakt door Isaacs kleinzoon Dirck van Beest:
"Mijn vader [Hermanus van Beest] is getrouwt met pieternella Vermander - die verwekt hebbe 11 kindre ... Pietern. Vermander haar vader, dat mijn grootvader is. voerde de naam Isaac gehuwt met Anna Vligerius, daaruyt verwekt Willem, dirk, dirk, pieternella, Alida & Isaac (welke 1ste dirk 1/2 ja. geleeft)) alle drie d'soone naar Oostind. gevaare, Willem ongehuwt gestorve, op polosinko, als opperst van de kust. Dirk heeft 3 [vrouwen] gehat, d'1ste was de wed. van Lokman, d'2de Hartenberg, haar vader gouverneur van sijlon, d'3 barrovius wed. (... ?) Doresla(er) te Amsterdam sijn vader was pred. alhier en beroep. te Amsterdam, dog zonder kindre overl. Alida is gehuwd met Govert van d Spoor verwekt dogter Johanna genaamt, is nog gehuwd met een pred. Joh. Benjam. van Bleyenburg, pred. te ophemert bij tiel. Mijn grootv. Isaac heeft gehat hendrik en Adriaan als sijne twee heele broeders. Syn halve broed. was dirk paradys en ... [half]zuster Maria (thans nog leeve). Hendrik is getrouwt met Alida Smith daaruyt verwekt is een soon dirk vermand(er) Isaac getro. met Maria Truytman op batavia (... ?) sond. kind. gestorven ... Adriaan Vermand(er) is getrouwt met Susanna Goll woont te Weesel sond. kind overleede, vermits hij wel en sij meede diep in de 60 oudt waare." (De Nederlandsche Leeuw 1965, kol. 400)
Familiewapen Vermander: in zwart een zilveren zwaan met gouden kroon om de hals, zwemmende in blauw water. (De Nederlandsche Leeuw 1965, kol. 396)
- 16 juni 1688: attestatie gegeven aan Anna Vligerius jonge dochter, gewoond hebbende bij de Augustijnenkerk, vertrokken n blijkt aar Amsterdam (NG trouwboek Dordrecht)
- 9 juli 1696: Abram de Rath, koopman te Dordrecht, stelt zich borg voor Ysaack van Mandel, drost, dijkgraaf en gaarmeester van de hoge heerlijkheid Hagestein. (ONA Dordrecht inv. 596)
- 25 sept. 1697: attestatie gegeven naar Hagestein aan Isaac van der Manden (NG trouwboek Dordrecht)
- 24 april 1712: ondertrouwd voor het Gerecht van Dordrecht Hendrick Wiemans, jongman van Osnabrugge wonende in de Nieuwstraat geassisteerd met Isaac Vermandelen zijn goede kennis met Anna Demans, jonge dochter van Lennig in het Land van Gulick wonende in de Kolfstraat geassisteerd met Jenneken Huberts haar goede kennis
- 6 mrt. 1716: Isaacq Vermander [Vermandelen doorgehaald] is voornemens naar Indië te vertrekken en verleent procuratie aan zijn vrouw Anna Vligerius om gedurende zijn afwezigheid zijn zaken waar te nemen en bij "versterf" de goederen, die zij zouden mogen erven te schiften, scheiden en verdelen etc. Hij tekent met I. v. Mander. (ONA Dordrecht inv. 653, akte 14, f. 44 e.v.)

- 17 jan. 1724: Anna Vligerius, weduwe van Isaacq Vermande, wonende te Dordrecht, stelt aan als voogden Adolff van der Linden, koopman te Dordrecht (als administrerend voogd) en Michiel Passchier, bakker en burger van Dordrecht (als toeziend voogd). Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 659, akte 2, f. 3 e.v.)
- 15 jan. 1725: comp. voor notaris A. van Nievelt Adolph van der Linde Johansz., koopman in ijzer te Dordrecht. Hij verklaart, dat wijlen Anna Vligerius, weduwe van IJsaack Vermande, "onlancx overlede en nu nogh boven aerde staende, heeft kunnen goetvinden om hem comparant aen te stellen tot administrerende voogd over hare minderjarige kinderen en tot toesiende voogd d'Heer Adriaen Vermandele, capitein luitenant ter zee ten dienste deser Lande, ende gemerckt sulcx is geschiet buijten kennis off weten van den comparant, die vervolgens van den staet van den boedel, ende naerlatenschap van de voornoemde overledene (vooralsnogh) geene kennisse is hebbende en mitsdien niet en can resolvere om in sijne gemelte qualitijt als voogd den voornoemde boedel te adïeren, ofte repudïeren, waeromme soo verclaerde den selve comparant de meer voornoemde overledene wel te sullen doen begraven en de dootschulden vandien te betalen, sonder sigh selve daer door eenigsints in sijne voornoemde qualitijt als erffgenaem van de voornoemde overledene te gedrage, als daer van wel expresselijcke protesterende bij dese ..., omme, naer ingenome informatie en kennisse van de ware gestaltheijt van den voornoemde boedel, als dan te doen soo als te raden werden sal." (ONA Dordrecht inv. 619, akte 4)
- 20 jan. 1729: (In de marge van de navolgende akte staat: "Overgebragt door de Rendanten in desen aen Hermanus van Beest in huwelijck hebbende Pieternella Vermandel alsmede aen deselve Pieternella Vermandel op den 20 Januarij 1729".) Rekening gedaan door de kinderen en erfgenamen van wijlen Adolff van der Linden Johansz., koopman te Dordrecht en dat van de ontvangsten en uitgaven, die hij heeft gekregen en gedaan als testamentaire voogd over de minderjarige erfgenamen van wijlen Anna Vligerius, echtgenote van Isaack Vermandel, eertijds bakker te Batavia in Oost-Indië, volgens inventaris daarvan, op 18 jan. 1725 gepasseerd ten overstaan van notaris S. de Moraas te Dordrecht. De akte bevat tevens een rekening van de gelden, komende uit de nalatenschap van voornoemde Isaack Vermandel en door de Weeskamer van Batavia ten behoeve van zijn weduwe overgedragen aan de Weeskamer van Dordrecht.
Ontvangsten: alle winkelwaren, meubelen en huisraad van Anna Vligerius, benevens de goederen, die uit de Bank van Lening zijn gelost, zijn door vendumeester Wor publiekelijk verkocht, wat heeft geresulteerd in een bedrag van 973 gl. 10 st. 8 penn.. Daarbij gevoegd een aantal met succes teruggevorderde schulden, komt het totaal op 995 gl. 16 st. 8 penn.
Uitgaven: totale uitgaven bedragen 491 gl. 12 st. 8 penn.
(de daaronder begrepen "doodschulden" bedragen:
- aan het bakkersgilde voor het dragen van de overledene: 29 gl. 4 st.
- aan de secretarie van Dordrecht voor het recht van begraven: 3 gl. 4 st.
- aan de bidders, aangesteld door de dochters van de overledene: 10 gl.
- voor de lijkkoets: 6 gl. 10 st.)
Positief saldo van de boedel: 504 gl. 4 st., te verdelen onder de vijf kinderen van Anna Vligerius, met name Pieternella, Alida, Willem, Dirck en Isaack Vermandel, d.w.z. aan ieder 100 gl. 16 st. 13 st.
"Tweden ontfangh": wegens de gelden, die door de Weeskamer te Batavia aan die van Dordrecht zijn overgemaakt wegens de nalatenschap van Ysaack Vermandel 4692 gl. 10 st.
Na aftrek van enige kosten resteert daarvan 4591 g. 18 st., ofwel voor ieder kind 918 gl. 7 st. Van deze 4591 gl. en 18 st. heeft de administrateur Jan de Bruijn voor rekening van de meerderjarige zoon Willem Vermandel in Indië afgehouden 1/5 deel, zijnde een bedrag van 918 gl. 7 st.
Verminderd met het aandeel van Willem Vermandel en nog enkele andere kosten blijft over voor de vier overige kinderen: 3642 gl. 7 st.
"De voorn. vijff kinderen van ... Anna Vligerius is door dood en overlijden van derselver kindren grootmoeder Alida Burghloon, weduwe van Willem Vligerius, tot Leerdam overleden, aengecomen met haer alle een 1/5 part van den selven boedel, aengesien (naer beste kennis, ende wetenschap) de voorn. weduwe Vligerius vijff kindren off kintskinderen en sulx vijff staken tot hare erffenisse heeft naergelaten en geïnteresseert sijn achtervolgens der selver testament en uijtterste wille voor schepenen van Leerdam gemaeckt den 28 meij 1715 en nogh van seeckere acte van uijtcoop tusschen de voorn. weduwe en hare kinderen gemaect mede voor schepenen van Leerdam den 22 september 1698 en laestelijck volgens seecker codicil off acte van approbatie van haer voorn. testament van den voorn. 28 meij 1715 nu laest almede voor schepenen van Leerdam op den 21 october 1721 heeft verleden, sijnde tot executeur over dat testament en tot voogd over de minderjarigen daerbij geïnteresseert aengestelt de Heer Diderick Vinck wonende tot Leerdam, ... en alsoo de voorn. erffenisse tot de administratie van [de boedel van Anna Vligerius] ... niet en hoort ofte specteert, soo wert dese alleen hier gebragt tot naerigtinge van de geïnteresseerdens van dien en sulx voor Memorie".
"Uitgeeff jegens den voorn. tweden ontfangh": totaal 735 gl. 1 st. (o.a. 587 gl. 4 st. aan Jan Hartman, koopman te Rotterdam, wegens geleverde sitsen en katoenen en 91 gl. 1 st. t.b.v. de 40e penning)
Resteert: 2907 gl. 16 st., te verdelen over vier kinderen, ofwel 726 gl. en 19 st. voor elk.
Alida Vermandel heeft recht op in totaal 827 gl. 15 st. 13 penn.
Voor haar is uitgegeven aan o.a. kleding, schoeisel, schoolgeld, kost- en leergeld: 202 gl. 7 st. 13 penn.
en aan haar is reeds uitgekeerd op 20 jan. 1729 op last van het Gerecht van Dordrecht: 200 gl.,
zodat zij nog recht heeft op 425 gl. 8 st. en 13 penn.
(bij de voor haar gedane uitgaven staan de volgende posten:
nov. 1727: betaald aan de naaister Maeijcke Vermandele voor 4 maanden kostgeld 28 gl. en 13 st. en
juni 1728: betaald aan Magdalena de Bond voor een half jaar kost en leergeld 60 gl.)
(ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht, behalve a):
a. Willem Vermander, geboren naar schatting ca. 1699, verbleef in 1729 in Oost-Indië (ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)
b. Dirck, 23 april 1700, jong overleden
c. Dirck Vermander, 10 aug. 1701, overleden na 20 jan. 1729 (ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)
d. Pieternella Vermander, 23 nov. 1703, begraven Dordrecht 20 juni 1789, trouwde Dordrecht 9 mrt. 1727 Hermanus van Beest, geboren Dordrecht 13 dec. 1706, eigenaar van een kalkmolen te Dordrecht, meester-hoedenmaker te Dordrecht, begraven Dordrecht 11 april 1797, zoon van Adriaen van Beest en Anna van der Light (De Nederlandsche Leeuw 1965, kol. 401)
- 27 mei 1732: Francois van de Lisse en Renardus Urbanus Pixotte, kooplieden te Dordrecht, benevens Jacobus Gaffelbroeck, koopman te Asmterdam, aangestelde executeurs-testamentair en voogden over de minderjarige dochtersdochter van Maria van den Kennip, in haar leven weduwe van Johannes van Diest, overleden te Dordrecht en nog als procuratie hebbende van voornoemde Jacobus Gaffelbroeck, volgens procuratie gepasseerd voor notaris H. van Wetten te Dordrecht op 16 mei 1732, verkopen aan Hermanus van Beest, burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat bij de Pelserbrug, vanouds genaamd "de Haartplaat", staande tussen het huis van Catharina Mes, weduwe van Gijsbert van Driell en het huis, dat op diezelfde dag is getransporteerd aan Bastiaan de Visser, voor 1178 gl. en 15 st. De koopsom is gedeeltelijk voldaan met 378 gl. en 15 st. contant en gedeeltelijk met het passeren van een schuldbrief van 800 gl. Hermanus van Beest bekent schuldig te zijn aan verkopers 800 gl., daarvoor verbindende het voornoemde huis. In de marge van de hypotheekakte staat: comp. Hermanus van Beest en toonde de originele brief met op de rug daarvan de kwitantie, waarbij bleek, dat de schuld volledig was voldaan. Derhalve geroyeerd op 22 juni 1751. (ORA Dordrecht inv. 817, f. 45v e.v.)
- 22 sept. 1740: Hermanus van Beest, meester-hoedenmaker en burger van Dordrecht, bekent schuldig te zijn aan Pieter van Beest,wijnkoper te Dordrecht, een somma van 1200 gl. wegens geleende gelden, daarvoor verbindende eerstens een huis in de Voorstraat bij de Pelserbrug, staande tussen het huis van Christiaan van Pelt en dat van Pieter Kop en tweedens de vrijdom van een visstal op de Grote Vismarkt te Dordrecht, getekend nr. 14. Schuldbrief geroyeerd op 29 jan. 1761. (ORA Dordrecht inv. 819, f. 217 e.v.)
- 29 okt. 1754: Pieter van Gelsdorp, notaris te Dordrecht, als procuratie hebbende van Johan van Geenland, oud-schepen in Gorinchem, als echtgenoot van Margareta 't Hooft, Adriaan 't Hooft, koopman te Rotterdam, Cornelis van Cruijskerke, oud-schepen, Adriaan van Cruijskerke, raad en vroedschap en Agnita van Kruijskerke, meerderjarige dochter, allen wonende te Gorinchem, alsmede van voornoemde Cornelis en Adriaan van Cruijskerken, als voogden over de minderjarige kinderen van Anna van Cruijskerken, in huwelijk verwekt door mr. Huijbert Snoek, raad en vroedschap te Gorinchem, samen enige erfgenamen van wijlen Marija van Cruijskerken, weduwe van oud-schepen Johan Snoek, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Martinus Mekern te Gorinchem op 18 sept. 1754, verkoopt aan Hermanus van Beest, hoedenmaker te Dordrecht, een huis met een pakhuis daarachter in de Voorstraat, staande op de hoek van het Molenstraatje omtrent de Vuilpoort, tussen het Molenstraatje en het huis van Pieter van Driel, voor 1517 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 825, f. 58v e.v.)
e. Alida Maria, 3 april 1706 (= kwartier 3)
f. Isaac Vermander, 29 mrt. 1710, verbleef in 1729 in Oost-Indië (ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)
10 Govert van Tricht, gedoopt NG Dordrecht 10 mrt. 1652, jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1676), wijnkuiper, munter (ca. 1683-1686), overleden Dordrecht 12 sept. 1689, trouwde NG Dordrecht 16 aug. 1676 (ondertrouw)
11. Anna van der Poel, gedoopt NG Dordrecht 7 okt. 1658, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Beurs (1676), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 15 mei 1709 (juffr. Anna van de Poel, weduwe van Govert van Trigt, woont in de Breestraat)
- ca. 1683: Govert van Tricht door zijn zwager Wilhelmus van de Poel ingeleid als muntersknaap. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X, p. 78)
- 1686: Govert van Tricht stelt zijn knaapplaats weer ter beschikking van zijn zwager en meester Wilhelmus van de Poel. (Idem, p. 79)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Maria, 6 juni 1677
b. Johanna, 19 juli 1679
c. Jannette, 14 mrt. 1681
c. Johannes, 7 jan. 1688
12. Dirck Vermandel (van de Mandelen), gedoopt NG Dordrecht 12 jan. 1652, jongman van Dordrecht wonende voor het Bagijnhof (1671), drilmeester (1686), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 19 febr. 1686 (een baar voor Dirck van de Mandelen drilmeester in de Houttuinen op de haven bij de Schuitenmakerstraat), trouwde NG Dordrecht/Rijsoord 11 okt. 1671/25 okt. 1671
13. Henrica (van) Lottum (Lotting), jonge dochter van Rotterdam wonende in het Steegoversloot te Dordrecht (1671), weduwe wonende op de Nieuwe Haven (1687), trouwde 2e NG Dordrecht/Dubbeldam 19 okt. 1687 Matthijs Paradijs, jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1687), hospes in herberg "de Gouden Molen" (vermeld 1691)
- 24 mei 1696: Matthijs Paradijs, substituut-drost van de hoge heerlijkheid Hagestein, zijn vrouw Hendrica Lottum en Ysaack Vermander, drost van Hagestein, verklaren schuldig te zijn aan Abram de Rath, koopman te Dordrecht, een somma van 3000 gl. wegens geleende penningen. Vermander verbindt voor de aflossing van deze schuld zijn aandeel in de nalatenschap van Maeijcken Aertsdr. Smits, zijn grootmoeder, welke nog berust onder het beheer van zijn voogden. Hij tekent met "Isack van Mander". (ONA Dordrecht inv. 596)
- 12 april 1698: Henrica Lottum, huisvrouw van Matthijs Paradijs, wonende te Vianen, als procuratie hebbende van haar man, verkoopt aan Elisabeth van Eijsden wonende te Dordrecht de eigendom van een obligatie ten laste van Holland en West-Friesland ten comptoire van de gemene middelen te Dordrecht, op naam van Adriana Adriaensdr. en inhoudende 1500 gl. kapitaal, gedateerd 18 aug. 1653. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 287, akte 15, f. 237 e.v.)
-19 juni 1701: compareren Mattijs Paradijs, getrouwd met Henrica Lottum, tevoren weduwe van Dirck Vermander, alsmede Henrica Lottum zelf en Isaack Vermander, allen wonende te Dordrecht. Zij verlenen procuratie ad lites aan Hendrik Vijand, procureur voor het Hof van Utrecht, om voor hen waar te nemen de zaak, die zij genoodzaakt zijn te entameren voor het Hof van Utrecht of elders tegen Francois Monte[r]nach, drossaard en dijkgraaf van de heerlijkheid Hagestein en van hem te eisen betaling van hetgeen hij hun nog schuldig is, etc. Akte door comparanten ondertekend (zie hieronder). (ONA Dordrecht inv. 705, f. 162 e.v.)

- 23 juni 1727: Hendrica van Lottem, weduwe van Matthijs Paradijs, verkoopt aan Cornelis Bax en diens vrouw Adriana Brooshooft het huis "de Gouden Molen" in de Hoge Nieuwstraat te Dordrecht met alle "voorregten en progativen so wegens het coffij en chocolaet schenken, als het houden van vendutiën", voor een somma van 2000 gl. De koopsom wordt door kopers voldaan met een schuldbrief. (ONA Dordrecht inv. 824, f. 63; ORA Dordrecht inv. 815, f. 46v; Werkgroep Nieuwewerck, Bulletin nr. 3, p. 8-9 [internet])
14. Willem Petrusz. Vligerius, burgemeester, substituut drossaart en schout van Leerdam overleden ald. ca. 1698,
15. Alida Burghloon, overleden te Leerdam (in of na 1721 en vóór 20 jan. 1729)
- 25 dec. 1694: Alida Burgloon en haar dochter Anna Vligerius lidmaten van de NG gemeente te Leerdam met attestatie van Everdingen.
(Vriendelijke mededeling van de heer A. van Doren.)
- 20 april 1696: Catharina Weijers, weduwe van Dionysius Gijssen, thesaurier in het Groot Comptoir te Dordrecht, verklaart, dat zij door haar behuwd zoon Simon Vligerius, secretaris van Hagestein, enige tijd op zijn kosten in onderhouden. Getuigen: mr.. Rudolff Danoij en Matthijs Paradijs, drost te Hagestein. (ONA Dordrecht inv. 596)
20. Johannes (Jan, Jannes) Govertsz. van Tricht, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1620, jongman wonende op de Nieuwe Haven te Dordrecht (1650), wijnkoper, begraven Dordrecht 18 dec. 1670, trouwde NG Dordrecht 25 sept./ 11 okt. 1650 ("proclam. apud Gallos" = proclamatie in de Waalse Kerk)
21. Maria Paradijs Matthijsdr., geboren naar schatting ca. 1630 in het Land van Luik, wonende "scheep" (1650), begraven Dordrecht 1 mei 1705, trouwde 2e Puttershoek 26 mrt. 1673 Maerten Adriaensz. van der Kade
- 1670/1671 (zonder datum, tussen 15 nov. 1670 en 27 jan. 1671): ingeschreven in het weesboek een extract van testament van Jan Govertsz. van Tricht wijnkoper en Marija Mathijsdr. Paradijs, echtelieden wonende te Dordrecht, gepasseerd op 22 dec. 1666 voor de Dordtse notaris J. Reijns. (Weeskamer Dordrecht inv. 26, f. 32v)
- 16 dec. 1695: huwelijkse voorwaarden tussen Arnoldus Ingenool, weduwnaar en Maria Paradijs, jonge dochter, beiden burgers van Dordrecht. De toekomstige bruid wordt geassisteerd door haar tante Maria Paradijs, weduwe van Jan van Tricht. (ONA Dordrecht inv. 520, akte 87)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Govert van Tricht, 10 mrt. 1652
b. Matthijs van Tricht, 22 sept. 1653
c. Maria, 5 nov. 1655, jong overleden
d. Maria van Tricht, 3 jan. 1657, trouwde Simon de Later
e. Johannes van Tricht, 5 nov. 1663, wijnkoper te Dordrecht, overleden na 9 sept. 1715, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 20 juli 1692 (ondertrouw) Margaretha Spaen, gedoopt Utrecht 4 nov. 1668, overleden na 18 aug. 1700, weduwe van Laurens Matthijsz. Paradijs, dochter van Willem Leenaertsz. Spaen en Susanna Richards Barnard. (Nederlands Patriciaat deel, 70 [1986], p. 369)
f. Anna van Tricht, 9 sept. 1665, trouwde NG Dubbeldam 3 mei 1693 Glaudi de Boers
22. Damis (Damas) Jacobsz. van der Poel, gedoopt NG Dordrecht 1 juli 1628, wijnkoper, jongman van Dordrecht wonende in de Houttuin (1654), overleden ca. 1665, trouwde NG Dordrecht 18 okt. 1654 (ondertrouw, bescheid gegeven om op Papendrecht te trouwen)
23. Jannetta Wagenaers, gedoopt NG Dordrecht nov. 1636, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Botgensstraat (1654)
- 29 mrt. 1667: Jannette Wagenaers, weduwe van Damis van der Poel, burgeres van Dordrecht, benoemt tot universele erfgenamen haar kinderen. Zij stelt aan tot voogden over haar minderjarige erfgenamen Cornelis Wagenaer, pondgaarder en Philippus de Graeff, suikerbakker, burgers van Dordrecht. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 122, f. 262 e.v.)
- 6 nov. 1678: (testatrice staat niet in de 200e penning). Op 6 nov. 1678 maakt Jannette Wagenaer, weduwe van Damas van der Poel, ziek in bed liggende, haar testament. Aan haar dochter Anna van der Poel, de vrouw van Govert van Trigt, vermaakt zij, boven hetgeen zij al bij haar huwelijk gekregen heeft, alle huisraad, inboedel, kleren, linnen zowel als wollen, tin-, koper- en ijzerwerk, juwelen, goud en zilver, gemunt en ongemunt, uitgezonderd een gouden hoepring, zilveren beker en zilveren tandenstoker, een bed met beddengoed, en servetten, welke zullen komen aan haar zoon Wilhelmus van der Poel. Aan hem vermaakt zij ook alle actiën, kredieten, uitstaande schulden, obligaties, rentebrieven en contant geld, die zij zal nalaten. Tot voogden stelt zij aan Theodorus van Steen, predikant in Fijnaard en Francois de Caesteker, advocaat voor het Hof van Holland. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 442, f. 205 e.v.)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Damis, 8 febr. 1655
b. Jacob, 26 jan. 1656
c. Jannetje 21 febr. 1657
d. Anneken, 7 okt. 1658
e. Johannes, 13 febr. 1659
f. Tanneke, 1 nov. 1662
g. Guilhelmus van der Poel, 22 febr. 1664, jongman van Dordrecht (1692), munter (vanaf 1683), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 4/18 mei 1692 (de bruidegom geassisteerd met mr. Franscois de Kaerssteecker, de bruid met haar moeder Maria de Leeuw) Jaël Hovius, gedoopt NG Leiden (Hoogl. Kerk) 17 mrt. 1665, jonge dochter van Leiden (1692), dochter van Cornelis van Hoven en Maria de Leeuw Lucasdr.
- 1683: Wilhelmus van de Poel doet de proef en eed als munter. Hij leidt zijn zwager Govert van Tricht als knaap in. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X (1956), p. 78)
- 7 febr. 1691: "Alsoo ick onderges. Jacobus van Tricht [zie bij kwartieren 40/41 (d-1)] woonende binnen dese Stad, als sijnde een dochters soon van [Jacob] van der Poel zaliger na de dood van Willem van der Poel in cas hij sonder kinderen comt te overlijden ben geregtigt tot desselfs vrije meester muntersplaets in de munte van Holland, ende dat ick nochtans hoore en verstae als off de voorn. Willem van der Poel, de voorn. meester muntersplaets soude hebben vercocht, en aen Sr. Mattheus Rees soude trachten te leveren, niettegenstaende ick onderges. daerinne niet hebbe geconsenteert off oijt sal consenteren soo sal den eersten notaris hier toe versocht sig behoorlijck geassisteert, vervoegen aen die van den Sermente van de Graeffelijkheijtsmunte binnen dese Stad, mitsgaders aen de persoonen van den voorn. Willem van der Poel, ende Sr. Mattheus Rees en deselve hier van gerechtelijcke notificatie geven, mitsgaders haer aenseggen dat deselve niet gelieven voort te gaen met het transporteren van de voorn. plaets, off oock den voorn. Sr. Mattheus Rees met het betalen van eenige penningen, die bij hem voor de voorn. plaetse mochte sijn gelooft, alsoo ik alles nul en van onwaerden sal houden, en in cas de voorn. geïnsinueerdens echter met 't geene voors. is mochten willen voortgaen in prejuditie van mijn voornt. recht, soo sult gij notaris wl expresselijk protesteren van alle costen, schaden en intressen, daerdoor alrede gehad ende geleden, ende te hebben en lijden ...". Actum Dordrecht 7 febr. 1691
"Ingevolge van de bovenstaende acte van insinuatie hebbe ik Jacob de Jongh [notaris te Dordrecht] ... mij ten versoecke van den voorn. Jacobus van Tricht ... gevonden aende de persoonen van Sr. Dirck van Nooij, Willem van der Poel en Sr. Mattheus Rees, ende haer de voorn. acte van insinuatie ende protest voorgelesen ende geïnsinueert haer naerden inhoude te reguleren, welcke mij tot antwoord gaven, namentlijck den voorn. Sr. Van Nooij, ick versoeck copie, Willem van der Poel, 't is wel, ik versoeck copie ende Sr. Mattheus Rees, ik hoor ende ik sie ende alsoo de voorn. antwoorden nieten waere satisfactoir hebbe uijtten naem van den insinuant geprotesteert van alle costen, schaden ende intressen alreede gehad en geleden ende nog verder te hebben en lijden, mitsgaders al haerlieden ijder overgelevert een copie van de voorn. insinuatie ... ". Actum Dordrecht 8 febr. 1691. (ONA Dordrecht inv. 587, f. 19 e.v.)
Kind:
g-1. Janetta, gedoopt NG Dordrecht 3 nov. 1693
h. Johannes, 22 jan. 1666
i. Damis, 14 mei 1667
24. Isack Dircksz. van der Mandel(en), gedoopt NG Dordrecht mrt. 1608, jongman van Dordrecht, viskoper, wonende voor het Bagijnhof (1641), trouwde NG Dordrecht 17 nov./3 dec. 1641
25. Maijke Aertsdr. Smits, jonge dochter van Dordrecht wonende voor het Bagijnhof (1641), trouwde 2e (vóór 15 mei 1691) Wouter van Helmont, meester-metselaar te Dordrecht
- 8 sept. 1633: "Alsoo Abram Dircksen als knaep [van de Munt van Holland] is ingeleijt van Jacob Dircksen sijnen broeder ende bij aflijffijcheijt soo heeft hij andermael sijnen broeder Isaak Dircksen als knaep ingeleijt ende heeft zijn behoorlijcken gelooften gedaen in kennissen van provoosten." (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V (1951), p. 133)
- 15 mei 1691: Wouter van Helmont, meester-metselaar en burger van Dordrecht, getrouwd met Maijken Aertsdr., weduwe van Isaac Dirxsz. Vermandel, verkoopt aan Pieternella van Aerlebrock, vrouw van Jacob van den Brande, een huis in de Vriesestraat, staande tussen de Armenhof en het huis van ds. Johannes Coxius, emeritus predikant van Molenaarsgraaf, voor 600 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 797, f. 30v e.v.)
26. Heijnderick Lottum (Lottuinis, Lotton), geboren ca. 1621, jongman van Tiel, wijnkoper wonende te Rotterdam (1646), begraven Rotterdam 18 juli 1658, trouwde NG Dordrecht 2/25 sept. 1646 (procl. te Rotterdam en Tiel)
27. Johanna (Jannetje, Janneke) Goossendr. Erckelens, gedoopt NG Dordrecht dec. 1613, jonge dochter van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1646), begraven Rotterdam 11 mrt. 1663
- 18 aug. 1645: verklaring door o.a. Hendrick van Lottum, 24 jaar oud, wijnverlater, op verzoek van Lambrecht van Erckelens. (ONA Rotterdam inv. 153, akte 288)
- 2 april 1649: testament van Hendrick Lottum wijnkoper en zijn vrouw Jannitge Goossendr. Erckelens. Zij benoemen elkaar tot erfgenaam. (ONA Rotterdam inv. 154, akte 209)
Kinderen (allen NG gedoopt te Rotterdam):
a. Jacob en Goossenius, 15 sept. 1647
b. Johannes, 24 aug. 1651
40. Guert (Govert) Guertsz (van der Bruggen), geboren naar schatting ca. 1565, vermeld te Dordrecht vanaf 1589, schipper van Maastricht (1605), maasschipper, koopman van ijzer (1646), begraven Dordrecht (zerk in de Grote Kerk) 15 juli 1646 (een baar voor Guert Guertsz. van Tricht, over de Roobrug "en co[o]pman van ijzer", vier maal luiden), trouwde NG Dordrecht 7/28 aug. 1605
41. Mariken Jan Hubendr.geboren naar schatting ca. 1580 vermoedelijk te Roermond, van "Remunde" (1605), begraven Dordrecht (zerk in de Grote Kerk: zie J.L. van Dalen, De Groote Kerk te Dordrecht [Dordrecht 1927], p. 302) 31 okt. 1652 (een baar op de Nieuwe Haven bij de Roobrug voor de vrouw van Geurt Geurtsz. van Tricht, vier maal luiden) (Nederlands Patriciaat deel 70 [1986], p. 369)
- 13 febr. 1606: als burger van Roermond aangenomen Guerts Guertsz., getrouwd hebbende de dochter van Johan Houben, burger te Roermond. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 105)
- 13 juli 1622: Geurt Geurtsz. lid van het Grootkoopliedengilde te Dordrecht, ook voor zijn zes kinderen. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 161)
- 1626 (verponding Dordrecht): Geurt Geurtsz., de hoek om vanaf de kade bij de Blauwpoort, betaalt 12 ponden. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3970, f. 35)
- 1633 (verponding Dordrecht): Geurt Geurtsz., "eigen", de hoek om vanaf de kade bij de Blauwpoort, betaalt 12 ponden (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 51v)
- 25 sept. 1646: extract ingeschreven in het weesboek van het testament van Goert Goertsz. van Maestricht, burger van Dordrecht en zijn vrouw Marijken Jansdr., gepasseerd voor notaris H. van Zevender te Dordrecht op 19 sept. 1624. Zij hebben de langstlevende van hen beiden aangesteld tot voogd, benevens Gerardus Vossius, regent van het Collegie van wege de Ed. Mog. Heeren Staten dezer lande te Leiden, neef van de testatrice. (Weeskamer Dordrecht inv. 21, f. 8)
Kinderen (volgorde onzeker):
a. Aeltgen Guert Guertsdr. (Aletta van Tricht), van Maastricht, geboren in 1608, wonende op de Nieuwe Haven (1630), overleden 17 okt. 1686 (zerk), trouwde NG Dordrecht 28 april/14 mei 1630 Maerten Paradijs, geboren ca. 1600, jongman van Luik, schipper (1630), maasschipper (blijkens de tolregisters te Venlo 1628 en 1629), koopman van blauwe (Namense) steen (1652), overleden 1 nov. 1652 (zerk)

Grafzerk van Maerten Paradijs, Aletta van Tricht en hun zoon Govert in de Grote Kerk van Dordrecht.
("Hier leyt begraven Maerten Paradys in syn leven coopman van blauwe steen out 52 jaren sterf den 1 november anno 1652 ende Aletta van Tricht syn huysvrouw sterft den 17 october anno 1686 out 78 jaer acht maenden ende Govert Paradys synen soon out 21 jaren sterf den 25 september anno 1656")
- 30 dec. 1656: Abraham Sieren, voor zichzelf, Fredrick Cornelisz. Roscam en Willem Pietersz. de Bruijn, als voogden van de nagelaten kinderen van Cornelis Sieren, samen erfgenamen van Sier Jacobsz., hun vader resp. grootvader zaliger, verkopen aan Aeltgen Govertsdr. van Tricht, weduwe van Martijn Paradijs, twee huizen en een loods, naast elkaar staande op de Nieuwe Haven bij de Grote Houten Brug tussen het het huis van Hendrick la Been en de weduwe van Cornelis Senten. (ORA Dordrecht inv. 780, f. 161)
Kinderen (volgorde onzeker):
a-1. Johannes Paradijs, gedoopt NG Dordrecht april 1631.
a-2. Govert Paradijs, gedoopt NG Dordrecht aug. 1635
a-3. Martinus Paradijs, geboren naar schatting ca. 1640, trouwde Catharina Hars
a-4. Anna Paradijs, gedoopt NG Dordrecht 6 aug. 1645
a-5. Berbera Paradijs, trouwde Jan Jansz.Cloens
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a-5-1. Maerten, 28 april 1655
a-5-2. Aeltge, 2 aug. 1656
a-5-3. Johannes, 8 aug. 1658
a-5-4. Aeltje, 25 febr. 1660
a-5-5. Johanna, 11 sept. 1664
a-6. Aletta Paradijs, trouwde ds. Hubertus de Koninck, predikant te Delft
a-7. Maria Paradijs, trouwde NG Dordrecht 19 febr. 1662 Matthijs Bax
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a-7-1. Cornelia, 7 dec. 1662
a-7-2. Alida, 8 mei 1664
a-7-3. Jan, 29 okt. 1671
a-7-4. Martinus, 29 april 1675
a-7-5. Matthijs, 7 juli 1679
b. Catalijntien (Catharina) Geurts (Goverts) van Tricht, geboren naar schatting ca. 1615, trouwde 1e NG Dordrecht 20 juli/5 aug. 1636 Isaack Leijniers, gedoopt NG Oud-Alblas 24 juni 1607, van Alblas (1636), zoon van ds. Huijbrecht Leijniers, schilder, later predikant te Alblas en Tanneken Wagenaers, 2e NG Dordrecht 7 nov. 1655 (ondertrouw) Johan Havershoeck, weduwnaar, chirurgijn te Delft, 3e NG Dordrecht 22 mei 1661 (ondertrouw, getrouwd in IJsselmonde) Pieter Holthuyser, weduwnaar van Düsseldorf, koopman te Rotterdam (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 161)
Kinderen (e 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):
b-1. Anna, 25 mei 1637
b-2. Anna, 1 juli 1640
b-3. Catharina, 23 mrt. 1642
b-4. Huybrecht, 9 sept. 1643
b-5. Govert, 16 okt. 1651
c. Barbel (Barbara) van Tricht, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1618, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1654), begraven Dordrecht 25 nov. 1704, trouwde NG Dordrecht 10 mei 1654 (ondertrouw) ds. Guielmus van der Poel, jongman van Dordrecht, predikant te Streefkerk (1654-1669) (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 162)
- 19 mrt. 1693: Berbera van Tricht, wonende te Dordrecht, weduwe van Wilhelmus van der Poel, predikant te Streefkerk, maakt haar testament. Zij wenst begraven te worden bij haar man in Streefkerk. Zij legateert aan de naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van haar overleden man een bedrag van 500 gl., boven de 1000 gl., die haar man in zijn testament aan hen heeft beloofd, aan Janette van Tricht, dochter van Govert van Tricht 500 gl., aan Anna van der Poel, Jannettes moeder, 200 gl., en aan de drie kinderen van Matthijs van Tricht, genaamd Maria, Matthijs en Lucia van Tricht "onder hen allen" een bedrag van 1000 gl., uit te keren wanneer zij mondig worden of gaan trouwen. Zij legateert voorts aan Jan van Tricht, Maria van Tricht, weduwe van Sijmon de Later en Anna van Tricht, zusters en broer, 500 gl., aan kapitein Jacobus van Tricht 600 gl., aan de beide kinderen van Maria van Tricht, bij haar verwekt door Dirck van de Wal 500 gl., aan Aletta Paradijs, vrouw van Hubertus Coninck, 600 gl., aan Martijnus Paradijs 500 gl., aan Govert Lijniers 500 gl., aan Anna de Renk, dochter van Anna Lijniers, 500 gl. en aan Tanneken van Tricht, vrouw van Adriaen Heckenhouck, 750 gl. Aan de Armen van de Nederduits Gereformeerde gemeente van Dordrecht maakt zij 50 gl., aan de Armen van Streefkerk 50 gl. en aan haar dienstmaagd "dubbelde rouw" en 50 gl. Aan de vrouw van ds. Steen in Fijnaart, Maria Wagenaars, laat zij een groot schilderij na, voorstellende een landschap, dat hangt in de binnenkeuken en aan Maria van Tricht, de vrouw van Adriaen van de Schepper, de 1800 gl., die Maria van haar heeft geleend. Tot erfgenaam van al haar overige na te laten goederen benoemt zij Maria Paradijs, de vrouw van Matthijs Bacx. Tot executeur-testamentair stelt zij aan Matthijs Bacx, die zij ook samen met Adriaen Heckenhouck benoemt tot voogd. (ONA Dordrecht inv. 566, geen folionrs.)
- 4 aug. 1702: testeert Berbera van Tright, weduwe van ds. Guilhelmus van der Poel, in zijn leven predikant te Streefkerk, wonende te Dordrecht. Zij wenst begraven te worden te Streefkerk in het graf van haar man. Zij legateert aan de kinderen van haar overleden nicht Maria van Tright, vrouw van Adriaen van den Schepper, koopman te Dordrecht, haar gouden ketting, "sijnde vijff dick, om haar hals", aan de kinderen van haar nicht Maria Paradijs, vrouw van Matthijs Bax, haar dertien paarse trijpen stoelen en haar portret, geschilderd door Cuijp, aan haar nicht Anna van Tright, vrouw van Adriaen Heckenhoeck, het portret van haar overleden man, eveneens geschilderd door Cuijp en haar eigen portret, geschilderd door Maas, aan haar nicht Maria Wegenaars, weduwe van ds. Theodorus van der Steen, een landschap, hangende in de keuken van het huis, waarin zij tegenwoordig woont, aan de huisarmen van de NG gemeente te Dordrecht een bedrag van 50 gl., aan de huisarmen van Streefkerk gelijke 50 gl., aan Maria Heckenhoeck, dochter van voornoemde Adriaen Heckenhoeck, haar zwarte ebbenhouten kast en aan haar dienstmeid Maria van Merckestijn een bedrag van 300 gl. en een dubbele rouw, op voorwaarde, dat zij tot het overlijden van testatrice bij haar blijft inwonen. Aan Guilliam van der Poel, neef van haar man zaliger, legateert zij een somma van 300 gl., "onder conditie dat niemant van de crediteuren vanden selven de voorsz. penningen sal mogen becommeren, oft hem vrughteloos maacken, 't sij bij arrest als andersints, alsoo sij testatrice begeert, dat de voorsz. penningen tot sijn nootsaackelijck onderhout sullen moeten distribueeren ende verstrecken, ende bij aldien imant vande voorsz. sijne crediteuren sulcx quaem te ondernemen, soo begeert sij testatrice, dat het selve legaat sal komen te cesseren, ende niettemin de voorsz. executeurs bevoeght sullen sijn deselve penningen soodanigh 't sijnen behoeve uijtte keeren als sijluijden sullen goetvinden te behooren." Aan de naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van haar man zaliger legateert zij, boven de 1000 gl, die aan die erfgenamen reeds zijn besproken, een bedrag van 500 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij de kinderen van haar nicht zaliger Maria van Tright, in haar leven vrouw van Adriaen van den Schepper, dochter van haar overleden broer Govert van Tright, voor 1/5 part, de kinderen en kindskinderen van haar zuster Aeltgen van Trigtt, weduwe van Martinus Paradijs, te weten de kinderen van Berbera Paradijs, getrouwd geweest met Jan Cloens, Aletta Paradijs, weduwe van ds. Hubertus de Koninck, in zijn leven predikant te Delft, de kinderen van Maria Paradijs, vrouw van Matthijs Bax en Martinus Paradijs, samen voor 1/5 part, de kinderen van wijlen haar zuster Catharina van Tricht, weduwe van Isack Leijniers, voor 1/5 part, de kinderen van haar overleden broer Jan van Tright voor 1/5 part, op voorwaarde dat de portie van zijn zoon Govert van Tright zal worden genoten door diens dochter Jannetta van Tright, vrouw van Jacob van der Spoor en de kinderen van Mattheus van Tright, haar broer zaliger, voor hat laatste 1/5 part. Tot executeurs en voogden benoemt zij Martinus Paradijs, Adriaen Heckenhoeck, Jan Bax Matthijsz. en Jacobus van Trigtht, resp. haar neven en behuwd neven. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 665, f. 161 e.v.)
d. Jan Govertsz. van Tricht, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1620 (= kwartier 20)
e. Mattheus Govertsz. van Tricht, gedoopt NG Dordrecht jan. 1624, jongman van Dordrecht, koopman wonende op de Nieuwe Haven (1653), trouwde NG Dordrecht 5/24 okt. 1653 Maria van der Poel, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Tolbrug (1653)
Uit dit huwelijk:
d-1. Jacobus van Tricht, gedoopt NG Dordrecht 20 dec. 1660
e. Maeijken Geurtsdr. van Tricht, trouwde NG Dordrecht 27 okt. 1647 Jan Gerritsz. Boeyen, van Elsloo (1647), maasschipper
f. Govert Geurtsz. van Tricht, trouwde NG Dordrecht 7 mei 1651 Rachel Leijniers gedoopt NG Oud-Alblas 6 nov. 1616, dochter van ds. Huijbrecht Leijniers en Tanneken Wagenaers, trouwde 2e NG Dordrecht 25 okt. 1654 Steven Blonck (Uit dit huwelijk een dochter Ida Blonck, gedoopt NG Dordrecht 28 dec. 1657)
Kinderen:
f-1. Govert van Tright, gedoopt NG Dordrecht 6 mrt. 1652
- 19 mrt. 1678: testeert Govert van Tright, jongman gewoond hebbende te Dordrecht en voornemens om met het fluitschip "Delfshaven" van de Kamer Delft als adelborst naar Oost-Indië te varen. Hij vermaakt legaten aan de kinderen van zijn voogd ds. Hubertus de Coning, predikant van de Gasthuiskerk te Delft en benoemt tot erfgenamen zijn zuster Marija van Tright, vrouw van Adriaen van de Schepper, koster van de Augustijnenkerk te Dordrecht, voor 2/3 parten en zijn halfzuster Yda Blonk voor 1/3 part. Voogden: zijn neef ds. Hubertus de Coning en zijn neef Martinus Paradijs, koopman te Dordrecht. (ONA Delfshaven inv. 3848, akte 3, f. 54: vriendelijke mededeling van de heer A.J. Stasse)
f-2. Marija van Tright, gedoopt NG Dordrecht 30 jan. 1654, trouwde NG Dordrecht 24 april 1672 Adriaen van de Schepper
42. Mathijs Paradijs (Paradis), jong gezel van Luik wonende scheep (1624), schipper, koopman op de Maas, trouwde NG Dordrecht 25 aug./10 sept. 1624
43. Anneken Lens Hermansdr. (Anneken Lens), gedoopt NG Dordrecht mei 1602, jonge dochter van Dordrecht wonende scheep (1624), begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht op 24 juni 1670 (Nelemans, o.c., p. 64: de weduwe van Matthys Paradys)
- 5 juni 1670: compareert voor notaris J. Reijns Anneken Lenssen, weduwe van Matthijs Paradijs, in zijn leven koopman op de Maas, ziek in bed liggende. Zij prelegateert aan Anneken Paradijs, weduwe van Henrick Duwant, in zijn leven Maasschipper, een bedrag van 300 gl., "ten reguarde ende opsichte vande goede ende trouwe diensten die sij testatrice vande selve haere dochter genoten heeft", mits dat Anneken Paradijs en Jenneken Paradijs nog uit haar testatrices boedel zullen ontvangen een somma van 600 gl. als huwelijksgoed, zoals haar andere kinderen ook gekregen hebben. In al haar overige goederen benoemt zij tot erfgenamen Lens, Marija, Matthijs, Barbera, Dirck, Anneken, Harman en Jenneken Paradijs en het weeskind van Catharina Paradijs. Tot voogden benoent zij haar zoons Lens en Harman Paradijs. Getuigen: Matthijs Paradijs Cornelisz. en Henrick Servaes (hij tekent met "Henrick Vassen'), inwoners van Dordrecht. Testatrice tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 116, f. 158 e.v.)
- 22 juli 1670: ingeschreven in het weesboek een extract van het testament van Anneken Lenssen, weduwe van Mathijs Paradijs, gepasseerd voor notaris J. Reijns te Dordrecht op 5 juni 1670. (Weeskamer Dordrecht inv. 26, f. 9)
44. Jacob Damisz. van der Poel, geboren naar schatting ca. 1595, van Dordrecht (1626), kruidenier, munter (vanaf 1618), gezworene 1625-1633, overleden tussen 21 febr. 1633 (ORA Dordrecht inv. 751, f. 58v, akte d.d. 13 mei 1610: zie bij kwartieren 90/91) en 31 mei 1637 (vermoedelijk in 1633), trouwde NG Dordrecht 15 mrt. 1626 (ondertrouw, na de proclamaties bescheid gegeven om te Spijkenisse te trouwen)
45. Tanneke Wagenaers Guiliamsdr., gedoopt NG Dordrecht nov. 1607, weduwe van Dordrecht wonende bij de Tolbrug (1637), overleden tussen 16 juni 1637 en 22 dec. 1641, trouwde 2e NG Dordrecht 31 mei/16 juni 1637 (proclam. Amstelodami) Pieter Henckels (Henckelens), banketbakker (1637), kruidenier (1641), jongman uit het Land van Bergen wonende te Amsterdam (1637), weduwenaar uit het Land van de Berge, wonende bij de Tolbrug (1641) . Hij trouwde 2e NG Dordrecht 22 dec. 1641/7 jan. 1642 Maria van Wijngaerden, jonge dochter van Dordrecht, wonende bij de Vismarkt (1641)
- 24 juli 1618: "heeft Jacop Damis sijn proef gedaen op de plaetse [de 12e Brabantse muntersplaats] van Damis Aertsen sijn vader ende den behoorlijcken eet gedaen". (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X (1956), p. 78)
Kinderen (ex 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Guliam van der Poel, febr. 1627, predikant te Streefkerk (vermeld 1654), trouwde in 1654 met Barbara van Tricht (zie kwartieren 40/41 (b))
b. Damiaen (Damis), juli 1628 (= kwartier 22)
c. Maeijken, april 1630, trouwde in 1653 Mattheus Govertsz. van Tricht (zie kwartieren 40/41 (d))
46. Johannes Wagenaer(s), gedoopt NG Dordrecht nov. 1605, jongman van Dordrecht (1628), kruidenier/ koopman, lid van de Veertigen en Achten van Dordrecht, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 23 jan. 1664 (een zwarte baar bij de Botgensstraat voor Johan Wagenaer uit de Veertigen en Achten van Dordrecht, twee maal luiden), trouwde 2e NG Dordrecht 6/20 nov. 1650 Jannigje Jansdr. (van Wanssen), geboren te Dordrecht naar schatting ca. 1600, weduwe van Cornelis Dammen, "van Dordrecht", wonende bij de Botgensstraat (1650), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 jan. 1666 (een zwarte baar omtrent de Vuilpoort voor Anna Jans, weduwe van Johan Wagenaers, vier maal luiden), trouwde 1e NG Dordrecht 19 aug. 1629 Cornelis Damman bakker, weduwnaar van Goeree, wonende op de markt bij de Tolbrug (1629), dochter van Jan Jansz. schipper en Heilten Jan Lenartsdr.
Johannes Wagenaer trouwde 1e NG Dordrecht 26 nov. 1628 (ondertrouw, proclam. Lejda)
47. Anneken van Dijck Cornelisdr., van Breda wonende te Dordrecht (1628), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 3 juli 1650 (een baar voor de vrouw van Johannys Wagenaers kruidenier, omtrent de Botgensstraat)
- 23 nov. 1628 (NG trouwboek Leiden): Johannes Wagenaer, kruidenier wonende te Dordrecht met Anneken Cornelisdr. van Dijck wonende te Breda, zijn niet gecompareerd, hebben attestatie geleverd.
- 16 okt. 1664: compareert voor notaris J. Schoormans te Dordrecht Janneken Jansdr. van Wansum, laatst weduwe van Johannes Wagenaers, wonende te Dordrecht, om haar testament te maken. Zij is een dochter van wijlen Heijltgen Jansdr., haar halfbroer en halfzuster zijn Willem Cornelisz. Braat en wijlen Judith Cornelisdr. Braat. Legaat van 300 gl. voor Pieter Aertsz. Danser schipper en zijn vrouw Jaeckemijntgen Leendertsdr. Legaat voor Neeltge Damman, dochter van haar eerste man Cornelis Damman. (ONA Dordrecht inv. 97, f. 79 e.v.)
- 24 aug. 1665: compareert voor notaris A. de Haen te Dordrecht Janneken Jansdr. van Wanssem, laatst weduwe van Johannes Wagenaer. Zij legateert aan haar nicht Jacomijntgen Leendertsdr., huisvrouw van Pieter Aertsz. Dansser een bedrag van 200 gl., aan haar nichten Marijcken en Matgen Hendricx, gezusters wonende te Rotterdam, ieder 100 gl., aan haar neef Cornelis Hechtermans haar huis, schuur, berging, keten etc. met 21 morgen land, staande en gelegen aan de Blaak onder Mijnsheerenland van Moerkerken en nog 4000 gl., die haar door overlijden van Judith Cornelisdr. Braat, haar halfzuster, in haar leven huisvrouw van Hendrick van den Bosch, overeenkomstig haar testament zijn aanbestorven. Zij benoemt tot universeel erfgenaam van al haar overige na te laten goederen haar [half-] broer Willem Cornelisz. Braat voor de ene helft en haar neef Cornelis Hechtermans voor de andere helft. Tot voogd benoemt zij haar zwager Hendrick van den Bosch. (ONA Dordrecht inv. 223, f. 24 e.v.)
- 5 okt. 1666: extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Janneken Jansdr. van Wanssen, laatst weduwe van Johannes Wagenaer, in zijn leven uit de Achten van Dordrecht, gepasseerd voor notaris A. de Haen op 24 aug. 1665 (Weeskamer Dordrecht inv. 25, f. 241)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht, ex 1):
a. Anneken, geboren, naar schatting ca. 1630, trouwde NG Dordrecht 30 juni 1652 Philippus de Graeff, suikerbakker te Dordrecht (vermeld 1667)
b. Cornelis Wagenaer, okt. 1634, pondgaarder te Dordrecht (vermeld 1667)
c. Jannette, nov. 1636 (= kwartier 23)
d. en e. Giliam en Maijken, sept. 1638
f. Maria, jan. 1641
48. Dirrijc Jacobsz., geboren naar schatting ca. 1580, muntenaar van Dordrecht, wonende in de Lombardstraat bij zijn vader Jacob Joosten wever (1604), gezworene van de Munt van Holland 1611/1612, overleden vóór 23 mei 1626, trouwde NG Dordrecht 11 juli 1604 (ondertrouw)
49. Adriaenken Jan Simonsdr., van Antwerpen (1604)
- 13 juni 1598: Dirrijck Jacopsz. heeft op de derde muntersplaats zijn werk gewrocht. Zijn vader heeft voor hem op 14 nov. 1592 de eed gedaan, omdat hij toen nog minderjarig was. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V ('s-Gravenhage 1951), kol. 132)
- 24 juli 1603: Derrijck Jacopsz. Wewijckman [= werkman ?] heeft zijn broer Joest Jacopsz. ingeleid als knaap van de Munt. (ibidem)
- 23 mei 1626: Jacob Dircxsz., zoon van wijlen Dirck Jacobsz., heeft zijn werk als munter gewrocht en de eed gedaan in handen van de provoosten. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V ('s-Gravenhage 1951), kol. 133)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Jacob Dircksz. van der Mandelen, mrt. 1605, garentwijnder, munter (1626: zie hierboven), weduwnaar van Dordrecht wonende in de Kolfstraat (1642), trouwde NG Dordrecht 21 sept./7 okt. 1642 Agnietje Hendricks, jonge dochter van Aken wonende in de Nieuwstraat (1605)
b. Abraham Dirksz., mei 1606, knaap van de Munt van Holland (1629), vermoedelijk overleden kort vóór 8 sept. 1633 (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V (1951), p. 133)
- 21 febr. 1629: Jacob Dirksz. leidt zijn broer Abram Dirksz. in als knaap van de Munt. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V (1951), p. 133)
c. Isaac, mrt. 1608 (= kwartier 24)
d. Jan, mei 1609
e. Geertruijd, sept. 1612
54. Goossen Jacobsz. (Erckelens), verwer van Erkelens (1607), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 5 juli 1643 (een baar voor Gose Jacobsz. verwer in het Steegoversloot), trouwde NG Dordrecht 23 sept./9 okt. 1607
55. Dingenten (Digneken) Jan Bouwensdr., geboren naar schatting ca. 1590 (zij krijgt nog een kind in 1633), mogelijk gedoopt NG Dordrecht dec. 1590 (doopnaam Dijnne), van Dordrecht (1607), overleden na 7 april 1649
- 1626 (1000e penning Dordrecht): Gosen Jacobsz., verwer in het Steegoversloot, aangeslagen voor een vermogen van 1000 gl. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3975, f. 83v)
- 7 april 1649: Dingna Jansdr., weduwe van Goosen Jacobsz. Erckelens te Dordrecht, sluit de weeskamer uit van haar nalatenschap en benoemt tot voogden over haar minderjarige kinderen haar twee oudste zoons. (ONA Rotterdam inv. 154, akte 210)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. NN, juli 1608
b. Cornelis, nov. 1611
c. Janneke, dec. 1613
d. Hendrick, febr. 1620
e. Marten, dec. 1621
f. Boudewijn, febr. 1626
g. Lijsbeth, mei 1627
h. Sara, juni 1633
80. Goert Goertsz. van der Bruggen de oude, geboren naar schatting ca. 1530, maasschipper, burger van Maastricht, overleden tussen 19 mrt. 1597 en 12 mrt. 1622, trouwde
81. Thrijn Guerts, overleden vóór 27 aug. 1590 (Nederlands Patriciaat, deel 70 [1986], p. 369)
- 18 nov. 1586: Geertruijdt Meeus, weduwe van Meeus Taris van Maastricht, verleent volmacht aan haar zwager Goert Goertsz. van der Brugge om voor haar te innen alle pachten, renten etc., die men haar schuldig is, "zoe boven int lant als andersints." (ORA Dordrecht inv. 739, f. 69v e.v.)
- 27 aug. 1590: Mees van Lymborch, als man van Cecilia van der Bruggen en Ghijs Pellens, als man van Gertruijd van der Bruggen, machtigen hun "swegherheere" [schoonvader] Goert van der Bruggen om hypotheek te nemen op zijn huis, genaamd "het Reypken", staande in de Stock, terwille van de schulden "daerinne hij gevallen is, staende en gemaeckt bij sijn afflijvige huysvrouwe Thrijn Geurts ende daer hij noch tegenwoerdelicken en is." (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 105)
- 19 mrt. 1597: Goert van der Bruggen "der alde" ontslaat zijn zwager Jan Meessen en diens vrouw Cathrine van een schuld van 160 gl. brab. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 105)
-12 mrt. 1622: compareren voor schepenen van Maastricht Jan Henricx, als man en voogd van zijn vrouw Anna Bruggen, Jan Bruggen voor zichzelf en als gevolmachtigde van zijn broer Guert Guertsz., maasschipper en burger van Roermond, volgens procuratie daarvan zijnde dd 25 febr. 1622, idem Maria Henricx, weduwe van Ghilis Henricx ... , idem Gerardt Guerts en Geertruijt Guerts, weduwe van Ghilis [sic] Pellens ... , samen kinderen en erfgenamen van wijlen Guert Bruggen, resp. hun vader en schoonvader. Comparanten verkopen een huis in de Stock, genaamd "het Reepken" voor 1275 gl. brab. Jan Guerts is "tochtenaer" en laat zijn aandeel als hypotheek staan t.b.v. zijn kinderen, verwekt bij Anna Willem(sdr.). Geertruijt Guerts heeft consent van haar 20-jarige dochter Catharina Pellens. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 104)
82. Johan Scherer alias Hu(y)ben (Houben), burger van Roermond, overleden in of na 1608, trouwde
83. Barbara Mattheusdr. van Buel
- (geen datum vermeld): Jan Houben compareert "consensu Barbara uxoris" als Johan Scherers alias Houben en verkoopt vast goed en stelt een zaakwaarnemer aan. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102)
- 13 okt. 1608: huwelijkse voorwaarden tussen Anneken Engelen en Reinier Huijben of Houben, zoon van Johan Houben en Barbara Mattewis, waarbij "tot onderstant dese(r) voergenoemde Ehestant Johan Huben bij desen beloefft sijnen soen te geven, soe veel gereijde penningen, als hij voer desen heeft gegeven sinder dochter op het houwelijck". (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102-103)
Kinderen:
a. Mariken Jan Hubendr. (= kwartier 41)
b. Renier Houben (Huijben), overleden vóór 8 okt. 1622, trouwde 13 okt. 1608 (huw. voorwaarden) Anneken Engelen (vermeld als weduwe van Renier Houben te Roermond op 8 okt. 1622) (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 103)
84. Mathieu Bouxhan alias Paradis, geboren in het Land van Luik, overleden vóór 12 jan. 1622, trouwde
85. Barbe Kinar, geboren Flemalle-Grande ca. 1565
(Kwartierstatenboek De Leeuw 1983)
86. Lens Hermensz. (van Elsloo), geboren naar schatting ca. 1575, schippersgezel "van Elsoo bij Maastricht" (1598) trouwde NG Dordrecht 28 juni/19 juli 1598
87. Maricken Diric Diricxdr. (Rijcken), "van Dordrecht" (1598)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Maijken (Maria) Lens, geboren naar schatting ca. 1600, begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht op 7 nov. 1676 (Nelemans, o.c., p. 64), trouwde NG Dordrecht 23 april 1623 (ondertrouw) Jan Aeldersz. de Veer
b. Anneken, mei 1602
c. NN, juni 1605
d. Heilke (Helena) Lens, okt. 1609, begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht op 5 mei 1674 (Nelemans, o.c., p. 64), trouwde NG Dordrecht 12 aug. 1635 (ondertrouw) Willem Heybloem
e. Susanna Lens, aug. 1612, begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht op 2 aug. 1672 (Nelemans, o.c., p. 64), trouwde 1e NG Dordrecht 8 juni 1636 (ondertrouw) Hendrick Jansz. Munnick, 2e NG Dordrecht 28 april 1647 (ondertrouw) Matthijs Jorisz.
88. Damas Aertsz. (van der Poel), geboren ca. 1549, "van Den Briel" (1577), muntenaar te Dordrecht, provoost (1604), gezworene (1611-1615), trouwde NG Dordrecht 27 april 1577
89. Maricken Jacobsdr., geboren naar schatting ca. 1550, "van Dordrecht" (1577)
- ca. 1582: Damas Aertsz.. van der Poel wordt muntenaar op de 12e Brabantse plaats en lid van het Serment van de Munt van Holland te Dordrecht, hij is o.m. betrokken in geschillen behandeld door het Serment op 23 jan. 1583, 18 mrt. 1588 en 17 juli 1590. Op 7 mei 1592 wordt de officier (schout) der stad Dordrecht gelast, hem te apprehenderen in verband met de daags tevoren door hem binnen de Munt "gecommitteerde grote insolentie." (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X (1956), p. 78)
- 30 jan. 1584: verklaring op verzoek van jonkheer Jehan van de Mijle Arentsz., schepen in wette van Dordrecht, door Jacob van Diemen Cornelisz., 41 jaar oud en Willem Stoffelsz. factoor van wijnen, 36 jaar oud. Deposanten verklaren, dat zijn ongeveer vier maanden geleden geweest zijn in de Munt van Holland te Dordrecht, waar mede aanwezig waren Damas Aertsz., die een zwager is van Rochus Grijp [generaal van de Munt] en diverse andere personen. "Ende dat ten zelven tijde de voorsz. Damas Aertsz. aldaer int geselschap vermaende dat den scheelen backer met zijn leep ooch hem veel gelucx geboden hadde met een nieuwe suster ende jegens hem geseijt hadde dat Rochus Grijp, zijn swaeger, een nieuw wijff thuijs crijgen soude." De tweede attestant verklaart nog, dat Dirck Jacobsz. goudsmid, die ook een zwager van Rochus Grijp is, daarop zei: "Weet ghij dat nu eerst. Dat heb ick lange gehoert." Damas Woutersz., ongeveer 39 jaar oud en Aernt Woutersz., 33 jaar oud, beiden burgers van Dordrecht, verklaren op verzoek van dezelfde rekwirant, dat vóór 3 okt. 1583 "de spraecke onder de gemeente alhier es geweest dat Rochus Grijp binnen der stede van Delft verdorst was vande schoudt aldaer die hem gevonden gehadt zoude hebben bij een ander vrouwe." (ORA Dordrecht inv. 737, f. 351)
- 15 nov. 1590: Damas Aertsz. van der Poel muntenaar verkoopt aan Floris Eeuwoutsz. van Colster een jaarlijkse losrente van 2 ponden groten Vlaams, verzekerd op een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick de Briever en dat van Henrick de Coninck goudsmid. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 160v)
- 16 mei 1592: Damas Aertsz. van [de] Poel verkoopt aan zijn zwager Dirck van Clootwijck Jacobsz. een jaarlijkse losrente van 8 gl., verzekerd op een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick de Briever en dat van Henrick de Coninck. (ORA Dordrecht inv. 720, f. 125v)
- 7 aug. 1593: Damas Aertsz. van der Poel muntenaar verkoopt aan Roelant Joosten, viskoper en burger van Dordrecht, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick de Briever en dat van Henrick Conincx goudsmid, niet meer belast dan met een rente van 6 gl. jaarlijks, die Lijsken Cors daar op heeft, een rente van 6 gl. jaarlijks, die Jacob van Diemen daar op heeft, een rente van 12 gl. jaarlijks, die Floris Eeuwoutsz. daar op heeft en een rente van 8 gl. jaarlijks, die Dirck Jacobsz. Clootwijck daar op heeft. Waarborg: Jan Jacobsz. Doudijn. koper kent schuldig aan verkoper een somma van 500 gl., te betalen met 100 gl. alle jaren op meidag. Borg: Henrick de Briever. (ORA Dordrecht inv. 743, f. 80v)
- 19 juli 1604: verklaring door Damas Aertsz. van de Poel, provoost van de Munt, 55 jaar oud en Herman Genefaesz., 53 jaar oud, op verzoek van Jan Pietersz. Vinck muntenaar. (ORA Dordrecht inv. 899)
- 24 juli 1618: de muntersplaats van Damas gaat over op zijn zoon Jacob Damisz. van der Poel. (Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie, deel X (1956), p. 78)
Kinderen van Damas Aertsz. en Maricken Jacobsdr. (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Adriaenken, 22 aug. 1579
b. NN, 18 jan. 1581
c. Neeltgen, 25 aug. 1582
d. Aert, 13 dec. 1584
e. Jan, 1 juli 1589
f. Jacob, geboren naar schatting ca. 1595
90 = 92. Guilliaem Wagenaers, van Antwerpen (1605), trouwde NG Dordrecht 23 jan. 1605 (ondertrouw)
91 = 93. Jennicken Thomas Boeijensdr. (Boons), van Antwerpen (1605)
- 13 mei 1610: Jan Hendricxsz., oudekleerkoper en burger van Dordrecht, verkoopt aan Guillam Wagenaer een huis, vanouds genaamd "den Valck" en thans "de Drije Schoppen", staande bij de Tolbrug aan de landzijde tussen het huis van Pieter Diricxsz. Clootwijck en dat van Aernolt Servaesz. Waarborg: Cornelis Claesz. de Heer viskoper. Koper kent schuldig aan verkoper een bedrag van 3250 gl., te betalen met 300 gl., alle jaren op meidag, daarvoor verbindende het voornoemde huis. Borg:: Geerit Imber koopman te Dordrecht. Koper verkoopt aan verkoper, in plaats van en in mindering van gerede penningen te betalen voor genoemd huis, een jaarlijkse losrente van 37 gl. en 10 st., verzekerd op het verkochte huis. In margine: compareerde Jacob Damisz. van der Poel, "mede possesseur vant hypoteecq" en toonde de originele brief, waarbij bleek, dat de schuld volledig was voldaan. Schuldbrief derhalve geroyeerd op 21 febr. 1633. (ORA Dordrecht inv. 751, f. 58r en 58v)
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Johannes, nov. 1605
b. Maricken, nov. 1606
c. Tanneken, nov. 1607
d. Maike Wagenaers Guilliamsdr., april 1610, van Dordrecht, woont in "de Drie Moren" (1630), trouwde NG Dordrecht 3 febr. 1630 (ondertrouw) Dionysius Emhart, weduwnaar van Ladenburch, woont in de Nieuwstraat (1630), koopman (1672)
- 30 sept. 1672: compareert voor notaris A. van Neten te Dordrecht Deonysius Emhart, koopman en burger van Dordrecht. Hij herroept eerdere testamenten, in het bijzonder die gemaakt met zijn overleden vrouw Maijken Wagenaers. Testateur legateert o.a. aan Maria van der Poel een bedrag van 100 gl., aan Janetta Wagenaers, weduwe van Damas van der Poel {kwartieren 22/23] 200 gl., aan Anneken Wagenaers 100 gl., aan Maria Wagenaers, zuster van Anneken Wagenaers 400 gl. en het kastje in de achterkamer waar het linnen in ligt, aan Maria Wagenaers en Catharina Henckel, ieder voor de helft al het "huijslindewaet", dat in testateurs sterfhuis bevonden zal worden, uitgezonderd hetgeen dat aan anderen vermaakt wordt en aan de kinderen van Johannes Wagenaers zijn testateurs "gerechtigheid" aan een graf in de Grote Kerk van Dordrecht. Hij benoemt tot erfgenaam van alle resterende goederen Catharina Henckel voor de ene helft en Maria Wagenaers voor de andere helft. (Weeskamer Dordrecht inv. 26, f. 110 e.v.)
e. Thomas, jan. 1612
f. Susanna, dec. 1623
g. Guilliaem, mrt. 1616, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 4 april 1650 (een baar bij de Botgensstraat tot monsieur Hans Wagenaers voor zijn broeder Gielijam Wagenaers)
96. Jacob Joosten, geboren ca. 1545, wever/linnenwever te Dordrecht, overleden tussen 1 april 1621 en 1 april 1631, trouwde naar schatting ca. 1575
97. Geertruijt Dijricks, geboren naar schatting ca. 1550, overleden in 1609 of 1610 (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V ('s-Gravenhage 1951), kol. 132)
- 1580 (50e penning Dordrecht): Jacob Joosten wever betaalt 4 gl. voor zijn huis in de Lombardstraat.
- 4 okt. 1590: comp. voor schepenen van Dordrecht Jasper Pietersz., als man van Berbera Pietersdr., die eerder weduwe was van Jaques Woutersz. van de Mande schoenmaker, enerzijds en Jacob Joosten en Daniël Joosten, voor zichzelf en tevens vervangende Cornelis Woutersz. van der Mande, als voogden en naaste verwanten van Neeltgen Jacobsdr., het zeven jaar oude weeskind van Jaques Woutersz., anderzijds. Aan Jasper Pietersz., in zijn voornoemde hoedanigheid, is toebedeeld alle goederen, die Jaques Woutersz., schoenmaker te Dordrecht, heeft nagelaten, uitgezonderd de goederen, die in Vlaanderen bevonden zullen worden. Het weeskind zal uit de nalatenschap onderhouden worden tot haar achttiende jaar en dan een bedrag van 6 gl. uitgekeerd krijgen. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 144)
- 14 nov. 1592: "soe heeft Jacob Joosten vader van Dyrck Jacobsz. als getrout hebbende Geertruydt Dyrckxsz.dr. den behoirlicken eedt van getrouwicheyt [als munter] gedaen mits handtastinge aen de provoosten over mits zynen zoon present ende minder van jaeren wesende ghenaempt Dyrck Jacobsz. noch onbequaem was om eedt te doen..." "T.a.p. (Resolutieboek, inv. no. 1) is 23 sept. 1592 aantekening gemaakt van de behandeling van een request van Soetman Andriesz., zoon van Andries Adriaens Ockerszoene, om hem te ontvangen op de [munters]plaats van zijn grootvader, Adriaen Ockers. Niet toegestaan, daar de plaats het laatst (in 1541; bedoeld wordt dus: het eerst) bewrocht is door diens oudere broeder Dirck Ockersz., die kinderen heeft nagelaten, o.w. Geertken, gehuwd met Jacob Joosten linnewever ...." (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V ('s-Gravenhage 1951), kol. 132)
- 1594 (verponding Dordrecht): Jacob Joesten wever, in de Breestraat - 5 ponden (ontvangen 27 juni 1595) (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 248v)
- 18 mei 1594: Frans van Diemen en Jacob Joosten, als voogden van Adriaentgen Joosten, weduwe van Cornelis Fransz., verkopen aan Maerten Cornelisz. sledenaar een huis in de Kromme Elleboog, staande tussen het huis van Evert Thomas en dat van Jan Tijs. Waarborg: Jacob Joosten linnenwever. Koper kent schuldig aan Adriaentgen Joosten 662 gl en 10 st., te betalen alle jaren op meidag met 60 gl. Borg: Cornelis Pietersz. linnenwever. (ORA Dordrecht inv. 743, f. 188v)
- 8 mei 1595: Jacob Joosten linnenwever, als oom en bloedvoogd van de nagelaten weeskinderen van wijlen Cornelis Fransz. schoenmaker, verkoopt aan Jan Geeritsz. brouwersknecht een huis in de Raamstraat tussen [de kapel van] de Broodzusteren en het huis van Arien Thonisz. vleeshouwer. Waarborg: Frans van Diemen Henricxsz. Koper kent schuldig ten behoeve van de voornoemde weeskinderen 850 gl., te betalen alle jaren op meidag met 100 gl. Borg: Adriaen Jansz. in den Plant. (ORA Dordrecht inv. 743, f. 319v)
- 1 sept. 1604: op verzoek van Neeltgen Vermanden verklaren Jacob Joosten, 59 jaar oud en Daniël Joosten, 51 jaar oud, beiden linnenwevers en burgers van Dordrecht, dat zij goed gekend hebben Jaecques Vermand[en], geboren van "Veuren" in Vlaanderen en Barbara Mestach, dochter van mr. Pieter Mestach van Ronsbrugge, die bij elkaar te Dordrecht verwekt hebben, twee dochters, t.w. de rekwirante en haar zuster, Jacobmijntgen Vermanden en dat Jaecques Vermanden te Dordrecht is overleden en Barbara in Beijerland is gestorven op "Sinte Maerte laetsleden een jaer". Jacobmijntgen is volgens de deposanten 14 of 15 jaar eerder in Dordrecht overleden, zodat van Jaecques Vermanden en zijn vrouw geen andere kinderen meer in leven zijn dan de rekwirante, Neeltgen Vermanden. (ORA Dordrecht inv. 899)
- 1620 (verponding Dordrecht): Jacob Joosten wever, in de Lombardstraat - 5 ponden (ontvangen 24 aug. 1621) (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3969, f. 255v)
- 1 sept. 1620: Jacob Joosten linnenwever verkoopt aan Jacob Stoop, burger van Dordrecht, 12 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op een huis in de Lombardstraat, staande tussen het huis van Anneken Gijsberts, brouwster in "het Rijplant" en de kinderen en erfgenamen van Meus Fransz. (ORA Dordrecht inv. 761, f. 106v)
- 1 april 1621: Joost Jacobsz., wonende te Kampen, verkoopt aan Jacob Stoop Dircxsz. 12 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op een huis voor het Bagijnhof te Dordrecht, staande tussen het huis en de tuin van Frans Alewijnsz. en het huis van Wouter Lenertsz. Compareert mede Jacob Joosten, linnenwever en burger van Dordrecht, die verklaart zich borg te stellen voor Joost Jacobsz., daarvoor verbindende zijn huis in de Lombardstraat, staande tussen het hus van de erfgenamen van Meus Fransz. en dat van de brouwster in "het Rijplant". (ORA Dordrecht inv. 762, f. 14v)
- 1 april 1631: Joost Jacobsz., wonende te Kampen, IJsbrant Gijsbertsz., getrouwd geweest met Meusken Jacobsdr., Aert Jansz. kuiper, echtgenoot van Pieterken Jacobsdr. en Jacob Dircxsz. munter, voor zichzelf en vervangende Isaack Dircxsz., beiden kinderen van Dirck Jacobsz. munter, allen erfgenamen van wijlen Jacob Joosten linnenwever, resp. hun vader, schoonvader en grootvader, verkopen voor 1000 gl. aan Henrick Cornelisz. huistimmerman, burger van Dordrecht, een huis in de Lombardstraat, staande tussen het huis van Maria Gijsberts, brouwster in "het Rijpland" en het huis van Aert Verbeeck. Waarborgen (voor verkopers): voornoemde Aert Jansz. en Cornelis Embrechtsz. kraankind, burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 768, f. 78 e.v.)
Kinderen (volgorde onzeker):
a. Joos(t) Jacobsz. van der Mandele, gedoopt NG Dordrecht 30 jan. 1580, muntenaar van Dordrecht (1605), woonde in 1621 in Kampen, munter wonende te Kampen (1631), trouwde NG Dordrecht 30 jan./20 febr. 1605 Susanneken Marten Vermandersdr., van Antwerpen, wonende in de Kleine Spuistraat (1605)
3 april 1631: Joost Jacobsz. van der Mandel, munter wonende te Kampen, verkoopt voor 280 gl. aan Isbrant Gijsbrechtsz., burger van Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof over de brug, staande tussen de tuin van Frans Alewijnsz., schepen van Dordrecht en het huis van Jan Jansz. Moilet (ORA Dordrecht inv. 768, f. 88v)
b. Diric Jacobsz., geboren naar schatting ca. 1580 (= kwartier 48)
c. Meusken Jacobsdr., trouwde IJsbrant Gijsbertsz.
d. Pieterken Jacobsdr., trouwde Aert Jansz. kuiper
106. mogelijk: Jan Bouwensz., trouwde vóór dec. 1590
107. Dijnne Toenisdr.
160. Goert van der Bruggen, geboren naar schatting ca. 1500, maaschipper, vermeld te Maastricht 1549-1562, overleden tussen 18 febr. 1562 en 28 dec. 1567), trouwde Lucia NN (= kwartier 161?), overleden tussen 12 febr. 1562 en 28 dec. 1567 (Nederlands Patriciaat deel 70 [1986], p. 369)
- 2 mrt. 1549: Goert van der Bruggen en zijn vrouw Lucia kopen een huis te Hoogenbruggen [Hoogbruggenstraat te Maastricht] voor 35 mark. Borgen: Claes Gruijssen en Gerart van der Bruggen. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 106)
- 31 juli 1550: Goert van der Bruggen en zijn vrouw Lucia kopen een huis te Hoegenbruggen voor 25 mark, waarvan 400 gl. "current terstond". (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 106)
- 5 en 18 febr. 1562: Goert van der Brugghen, schipper en burger van Maastricht, verkoopt voor 305 daalders aan Philippe van den Berghe te Zaltbommel een schip met toebehoren en voor een zelfde bedrag een schip met toebehoren aan Jan Maeslender van Wessem te Maastricht. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 105-106)
- 12 febr. 1562: Goert van der Brugge schipper en zijn vrouw Lucia kopen voor 600 gl. trichter peyen 2/3 delen van een huis en enkele weken later het resterende 1/3 deel. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 105)
- 28 dec. 1567 (stijl van Luik): Pauwels van Houtem en zijn vrouw Anna kopen [moet zijn "verkopen"?] een huis te Wijk (op de rechter Maasoever gelegen deel van Maastricht), staande naast het St. Gillisgasthuis "en verklaren de terstond van de koopprijs (1010 gl.) te betalen 100 dalers alias 650 gl. trichter peyen ontvangen te hebben" van de kinderen van Guirt van der Brugge zaliger, te weten Goert en Cathrijn van der Bruggen, welke som Guert zaliger hun bij testamentaire dispositie nagelaten heeft na zijn en zijn vrouws dood. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 105)
166. Thijs van Buel, trouwde Marie NN (= kwartier 167?)
- 27 juni 1560: Thijs van Buel compareert met zijn vrouw Marie te Roermond. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102)
- 21 juni 1569: Thijs van Buel wordt door landvoogd Alva verbannen "pour avoir fort conversé et hanté avec le dict prédicant (sectaire), esté en armes et ung des principaulx avant aussy esté envoyé au dict Anvers vers les consistoriens". (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102)
Kinderen:
a. Barbara Mattheusdr. van Buel (= kwartier 83)
b. Cornelia Mattheusdr. van Buel (van Biele), trouwde ds. Joannes Alopecius (Vossius), van Vuerenambacht, predikant te Heidelberg en te Dordrecht (1584-1586), overleden Dordrecht 22 febr. 1586 (J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, deel II (Schiedam 1987), p. 786)
Uit dit huwelijk:
b-1. Gerardus Joannes Vossius, geboren Heidelberg (D.) ca. 21 mrt. 1577, , humanist, hoogleraar Griekse taal en letterkunde te Leiden, overleden Amsterdam 17 mrt.1649., trouwde 1e Dordrecht 17 febr. 1602 Elisabeth van den Corput, overleden 7 febr. 1606, 2e Dordrecht 28 aug. 1607 Elisabeth Junius.
Hij kwam in 1583 met zijn ouders naar Dordrecht, doorliep daar de Latijnse School, ging als bursaal van de stad Dordrecht naar het Leidse Statencollege en promoveerde in 1598 tot magister artium. Voordat hij zijn studie theologie in Leiden kon afronden, werd hij in 1600 door het stadsbestuur van Dordrecht teruggeroepen om daar les te geven aan de Latijnse School, waar hij in de periode 1600-1615 rector was. Zijn vriend Hugo de Groot bezorgde hem in 1615 de post van regent van het Leidse Statencollege. Op aandringen van De Groot publiceerde hij in 1618 een Historia Pelagianismi, waarin hij aantoonde dat de Remonstranten ten onrechte werden beschuldigd van pelagianisme, d.w.z. de leer van Pelagius, die in het jaar 431 werd veroordeeld omdat hij in de discussie over de genade een te grote plaats toekende aan de vrije wil. Na de nederlaag van de Remonstranten in 1619 werd Vossius als regent ontslagen. Hij bleef echter docent aan de Leidse universiteit. Machtige beschermers bezorgden hem in 1622 de leerstoel geschiedenis en welsprekendheid. In 1625 kreeg hij ook de Leidse leerstoel Griekse taal- en letterkunde. In 1631 nam hij ontslag en ging samen met Caspar Barlaeus naar Amsterdam om het Athenaeum Illustre mede op te richten. Als eerste rector opende hij met een redevoering op 8 jan. 1632 het Athenaeum. Hij publiceerde werken over welsprekendheid, poëtica, taalkunde en geschiedenis. (J. Charité (red.), Biografisch Woordenboek van Nederland [Amsterdam 1985], p. 597 e.v.)

Gerardus Vossius.
170. Pirot fils de Pirot, trouwde
171. Marie Boverie fille de Henry
(Kwartierstatenboek De Leeuw 1983)
172. Herman Hermansz. (van Elslo), trouwde
173. Jannicken Lensen
Kinderen:
a. Lens, geboren naar schatting ca. 1575, vermoedelijk in Elsloo
b. Herman, gedoopt NG Dordrecht 31 juli 1580
178. Jacob Pietersz. van den Eijnde goudsmid, trouwde vóór 1541
179. Neeltje Dircksdr. van Clootwijck, overleden tussen 1 jan. 1573 en 9 juli 1585
(Voor haar voorouders zie www.klootwyk.nl/links.asp)
Kinderen (volgorde onzeker):
a. Anna van den Eijnde, geboren naar schatting ca. 1545, overleden 10 juli 1612, begraven Dordrecht (Augustijnenkerk), trouwde Rochus Grijp, goudsmid, muntmeester-generaal in Holland 1580, idem in de Verenigde Provinciën (commissie 11 juli 1586), overleden 12 nov. 1592, zoon van Joost Grijp em Grietje Doensdr. van den Berch (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X ['s-Gravenhage 1956], p. 99)
b. Dirck Jacobsz. (van) Clootwijck, geboren ca. 1549, goudsmid te Dordrecht
- 17 mrt. 1587: op verzoek van Dirck Jacobsz. van Clootwijck verklaart Gabriël Fransz. van Stabrouck, ongeveer 32 jaar oud, dat hij op dinsdag 10 mrt. 1587, staande voor het huis van de rekwirant, heeft gezien "dat des requirants huisvrouwe zeer verslaegen zijnde, schuddende ende bevende, een mans persone, zwart van aengesicht, hebbende een zwarte pluijm op zijnen hoet, gelijckende wel eenen Spangert, gevat hadde bij zijn craege, zeggende jegens den selven mans persone, ghij hebt mijn gelt in uwen hals gesteecken, geeft mij mijn gelt wederomme, met meer dier gelijke woorden ende trock de zelve mans persone telcken zijnen hals naer hem, treckende zijnne schouderen innewaerts, seggende dat hij tgelt nijet en hadde, waer op die zelve vrouwe jegens hem geseijt hebbende, wat hebt ghij met u handt in mijn gelt te doen, vattende hem gestadich naer zijn craege, heeft den selven man zijnen pongert, die hij achter op zijn lijff hadde, voorwaert gehaelt ende daer naer die zelve pongert vuijt getrocken ende des requirants huijsvrou daer mede gedreijcht te doerstooten. Ende des requirants huijsvrouwe geseijt hebbende dattet met geen steecken te doen en was ende dat zij haer gelt woude hebben, heeft ten leste zeer vlouckende ende zweerende zijn pongert weder opgesteecken." (ORA Dordrecht inv. 739, f. 122v)
- 23 mrt. 1589: Jacob Pietersz. Queckel, "residerende" te Utrecht, transporteert aan zijn oom Dirck Jacobsz. Clootwijck een rentebrief van 2 ponden groten Vlaaams, verleden door Reijer de Jonge Reijersz. op 13 dec. 1557. (ORA Dordrecht inv. 718, f. 218)
- 15 mrt. 1592: op verzoek van de schutmeesters en dekens van de drie schutterijen van Dordrecht verklaren Cornelis Cornelis 't Jong, ongeveer 66 jaar oud, Henrick Barentsz., essayeur van de Munt, 57 jaar oud en Dirck Jacobsz. Clootwijck goudsmid, ongeveer 43 jaar oud, bij de eed door hen als schutters gedaan (en Henrick Barentsz. bij zijn ambtseed), dat in het jaar 1572 "het silverwerck vande drie schutteriën deser stede, als silvere coppen, beeckers, ende croesen, geëmployeert is geweest ten dijenste van Zijne Excellentie hooger memoriën tot betalinge van de ruijteren ende knechten doen ter tijdt in Gelderlandt leggende ende dat tzelve silverwerck opte Munte gelevert is in handen van Blasius Boucquet, doen ter tijdt wisselaer ende Rochus Grijp midtsgaders Pieter Jacobsz. Clootwijck, goutsmeden, sonder dat sij deposanten door de lanckheijt van de tijdt onthouden hebben de speciën ende 't gewicht vandijen. Verclaerende voorts dat van tselve silverwerck geslaghen ofte gemunt zijn geweest penningen van zeven stuvers, nu ter tijt doende thijen stuvers ende dat zoo veele alsser gemunt waren getelt sijn geweest in handen vande thesaurier Mannemaker. Seggende sij deposanten voor redenen van haerlieder wetenschap, dat zij tvoorsz. silverwerck hebben helpen handelen als weesende de voorsz. Cornelis 't Jong inden jare [1572] deecken bij de schutterie van de geheele haecx binnen deser stede en de voorsz. Dirck Jacobsz. verclaerde, dat hij alle andere tgelt aende voorsz. thesaurier Mannemaker overgetelt heeft." (ORA Dordrecht inv. 720, akte 286)
- 15 febr. 1602: op verzoek van de pachters van de bieraccijns legt Dirck Jacobsz. Clootwijck, 53 jaar oud, een verklaring af. (ORA Dordrecht inv. 898)
c. Maricken Jacobsdr. (= kwartier 89)
d. Pieter Jacobsz. Clootwijck, goudsmid te Dordrecht ca. 1572, (ORA Dordrecht inv. 720, akte 286 dd 15 mrt. 1592), overleden vóór 4 okt. 1575, trouwde Cornelia Quekel
Kinderen (volgorde onzeker):
d-1. Jacob Pietersz. (Queckel), woonde in 1589 te Utrecht, overleden tussen 23 mrt. 1589 (zie hierboven bij 178-b) en 25 mei 1589
- 14 dec. 1585: Pouwels Joosten viskoper transporteert aan Dirck Jacobsz. goudsmid, als voogd van het onmondig weeskind, genaamd Jacob Pietersz., van zijn broer Pieter Jacobsz., ten behoeve van dat kind, een losrentebrief van drie gl. jaarlijks. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 300v)
- 25 mei 1589: Dirck Jacobsz. Clootwijck, burger van Dordrecht, verklaart, dat van wege Cornelis van Reijnegom, inwoner van Utrecht, door de gezworen kamerbewaarder van Dordrecht arrest is gedaan op een onder hem, comparant, berustende custing- of schepenschuldbrief, sprekende op zeker huis, staande tegenover de Kruiskapel te Dordrecht en toebehorende aan mr. Maximiliaen Bouman chirurgijn, waar nu woont Joachim Jansz. Comparant belooft die custingbrief niet van de hand te doen, voordat Van Reijnegom volledig betaald is van hetgeen hem nog toekomt wegens twee obligaties, die zijn verleden door zijn (Clootwijcks)neef Jacob Pietersz., t.w. een bedrag van 200 gl. (ORA Dordrecht inv. 718, f. 259)
d-2. Marijcken Pietersdr.
e. Jan Jacobsz. Doudijn (Dudain, Dudijn), geboren ca. 1552, weduwnaar van Dordrecht (1598), trouwde 1e NG Dordrecht 1 jan. 1573 (ondertrouw) Margrijeta Jansdr., 2e NG Dordrecht 8 mrt. 1598 Trijnken Henricxdr. van "Santen" in het Land van Kleef (1598)
(NB: niet te verwarren met de kunstschilder Jan Doudijn, maker van het schilderij "De Brand van de Nieuwkerk" (1568), die reeds in 1560 betaald kreeg voor een groepsportret en geboren zal zijn omstreeks 1535.)
- 4 okt. 1575: Jan Jacobsz. Doudijn transporteert aan Dirk Jacobsz. en Rochus Ghrijp, als ooms en voogden van Jacob Pietersz. en Marijcken Pietersdr., onmondige weeskinderen van wijlen Pieter Jacobsz., een losrentebrief van 9 gl. jaarlijks, die hem ten huwelijk is gegeven door zijn moeder Neeltgen van Clootwijck, weduwe van Jacob Pietersz. goudsmid. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 13)
- 9 juli 1585: Jan Jacobsz. Doudijn transporteert aan zijn broer Dirck Jacobsz. van Clootwijck drie schepenenschuldbrieven. Hij verkoopt tevens aan zijn broer 1/6 part van "anderhalve gaerde lants gelegen tot Cappel", hem comparant aangekomen bij overlijden van zijn moeder Neeltgen van Clootwijck. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 200v en 201)
- 7 sept. 1586: verklaring op verzoek van Thomas Jansz. koperslager en Jan Jansz. lijndraaier door o.a. Jan Jacobsz. Doudijn, 35 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 739, f. 30)
- 25 sept. 1588: verklaring op verzoek van Frans Evertsz. wijnkuiper door Gillis van Alsdorph, ongeveer 56 jaar oud en Jan Jacobsz. Dudijn, 36 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 213)
- 7 aug. 1593: Damas Aertsz. van der Poel muntenaar verkoopt aan Roelant Joosten, viskoper en burger van Dordrecht, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick de Briever en dat van Henrick Conincx goudsmid, niet meer belast dan met een rente van 6 gl. jaarlijks, die Lijsken Cors daar op heeft, een rente van 6 gl. jaarlijks, die Jacob van Diemen daar op heeft, een rente van 12 gl. jaarlijks, die Floris Eeuwoutsz. daar op heeft en een rente van 8 gl. jaarlijks, die Dirck Jacobsz. Clootwijck daar op heeft. Waarborg: Jan Jacobsz. Doudijn. Koper kent schuldig aan verkoper een somma van 500 gl., te betalen met 100 gl. alle jaren op meidag. Borg: Henrick de Briever. (ORA Dordrecht inv. 743, f. 80v)
- 25 mrt. 1600: verklaring door Jan Doudijn Jacopsz., ongeveer 47 jaar oud, ten behoeve van Maeijken van der Brugge, weduwe van Hans ter Brugge. (ORA Dordrecht inv. 897)
Kinderen van Jan Jacobsz. Doudijn (allen NG gedoopt te Dordrecht):
ex 1:
e-1. Geertruijt, 18 nov. 1579
e-2. Jacob, 11 aug. 1581
e-3. Peter, 23 dec. 1584
e-4. Isaac, 1 juni 1589
ex 2:
e-5. Henric, 1 juli 1599
192. Joost Willemsz., geboren naar schatting ca. 1510, linnenwever, overleden tussen 14 okt. 1570 en 9 nov. 1581, trouwde, naar schatting ca. 1540
193. Anneken Maertensdr., overleden tussen 9 nov. 1581 en 11 mei 1587
- 14 okt. 1570: Joost Willemsz. linnenwever verkoopt aan Maerten Joosten een jaarlijkse losrente van 6 gl., verzekerd op een huis in de Lombardstraat, staande tussen het huis van Adriaen van der Duijn en dat van Herman Jansz. kuiper. (ORA Dordrecht inv. 728, f. 11)
- 3 okt. 1571: Joost Willemsz. linnenwever verkoopt aan Cornelis Jansz. een huis in de Kromme Elleboog, staande tussen het huis van Wijnant Woutersz. en dat van koper. Verkoper stelt als onderpand een huis op de Hil, staande tussen het huis van Adriaen Ockersz. en dat van de weduwe en erfgenamen van Henrick in den Haring. Koper is schuldig aan verkoper eem somma van 28 ponden Vlaams. Borg: Lenert Thoenisz. houthaker. (ORA Dordrecht inv. 728. f. 240)
- 9 nov. 1581: Anneken Maertensdr., weduwe van Joost Willemsz., verklaart, "dat zij elcx van haere kinderen tot subsidie van haer huwelick gegeven heeft de somme van tijen ponden grooten Vlaems ende noch Willem Joosten, haeren soon, boven dijen gedaen te hebben de somme van negen ponden grooten Vlaems omme zijne schulden, daermede hij belast was, daermede te betaelen, zonder dat zij haere kinderen als Maerten Joosten, Jacob Joosten, Daniël Joosten, Arien Joosten ende Ariaentgen Joosten daerjegens begroet heeft, waeromme zij gewilt heeft ... omme haere consciëntie daerinne te quijten, dat Engeltgen Willemsdr. nae haere doot in haeren goeden sal blijven stille staen totdat alle haere voorsz. andere kinderen daer jegens begroot sullen zijn, zonder dat sij eer aen eenige goeden vandien zal moegen comen." (ORA Dordrecht inv. 736, f. 282v)
- 9 nov. 1581: Anneken Maertensdr. verklaart, dat haar zoon Maerten Joosten haar 10 ponden Vlaams geleend heeft "omme daermede inden noodt bij te staen Willem Joosten, haere zoon, die met veele groote sculden belast was". Zij heeft aan Maerten een losrente van 5 Rijnse gulden jaarlijks verkocht, verzekerd op een huis op de Hil [Bethlehemplein], staande tussen het huis van Pijeter van Lijer en het huis van Adriaen Pietersz. Ras. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 282v)
- 11 mei 1587: comp. voor schepenen van Dordrecht Jacob Joosten, Daniël Joosten, Adriaen Joosten, linnenwevers, Cornelis Fransz. schoenmaker, als man en voogd van Adriaentgen Joosten, voor zichzelf en als ooms en voogden van de onmondige kinderen van wijlen Maerten Joosten "stadtboede", verwekt bij Marijcken Laurensdr., genaamd Joost Maertensz., 10 jaar oud, Laurens Maertensz., 8 jaar oud en Jan Maertensz., ongeveer 4 jaar oud en als ooms en voogden van het weeskind van wijlen Willem Joosten, ongeveer 14 jaar oud, allen erfgenamen en kinderen resp. kindskinderen van wijlen Anneken Maertensdr., weduwe van Joost Willemsz. linnenwever. Comparanten hebben onderling de nalatenschap van Anneken Maertensdr. verdeeld. Daarbij is aan Jacob Joosten toebedeeld een somma van 14 ponden uit een custingbrief, die door hemzelf is verleden op 25 juni 1575 [ten behoeve van zijn moeder ?] en die is verzekerd op zijn huis in de Lombardstraat, "daer noch aen resteert te betaelen 31 ponden gr. Vls.". Cornelis Fransz. is aanbedeeld aan een gelijke somma van 14 ponden uit dezelfde schuldbrief, waaruit hij al 39 Rijnse gl. heeft ontvangen. Adriaen Joosten krijgt ook 14 ponden. Engelken Willemsdr., het kind van Willem Joosten, is eveneens een somma van 14 ponden toebedeeld, waarvan haar vader al 54 Rijnse gl. [= 9 ponden] heeft ontvangen en waarvan zij de resterende 5 ponden zal ontvangen uit voornoemde schuldbrief van 31 ponden. Daniël Joosten heeft reeds 4 ponden ontvangen en zal de resterende 10 ponden ontvangen uit een schepenenschuldbrief, sprekende op Lenert Pietersz., "daer noch aen resteert te betaelen" 24 ponden 3 sch. 94 groten Vlaams. De weeskinderen van Maerten Joosten zullen hun aandeel van 14 ponden eveneens ontvangen uit deze schuldbrief. (ORA Dordrecht inv. 739, f. 171 e.v.)
Kinderen (volgorde onzeker):
a. Willem Joosten, linnenwever, trouwde Neeltgen Lodewijcx. geboren ca. 1539
- 18 dec. 1579: verklaring door Neeltgen Lodewijcx, vrouw van Willem Joosten wever, ongeveer 40 jaar oud, op verzoek van Cornelis Willemsz. bakker. (ORA Dordrecht inv. 735, f. 191)
- 3 mei 1582: Thonis Lenertsz. "scheepslijter" verkoopt aan Willem Joosten linnenwever een huis in de dwarsgang van de Kromme Elleboog, aan beide zijden belend door de huizen van Thonis Lenertsz. Koper kent schuldig aan verkoper een somma van 29 ponden Vlaams. (ORA Dordrecht inv. 736, 330v)
- 12 mei 1582: Willem Joosten linnenwever verkoopt aan Cornelis Jansz. Mors een huis op de hoek van de Gevulde Gracht, staande tussen het huis van Thonis Lenertsz. "scheepslijter" en 's herenstraat. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 15 ponden Vlaams. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 331v)
- 11 mei 1584: Willem Joosten linnenwever verkoopt aan Lebuijn Fransz. Drijfhoutt een huis op de Nieuwe Gevulde Gracht, staande tussen het huis van Adam Henricxsz. scheimaker en dat van Cornelis Mors. Waarborg: Egbert Jansz. linnenwever. Koper is schuldig aan verkoper een bedrag van 27 ponden en 13 schellingen 4 groten Vlaams. Borg: Jan Merchus schrijnwerker. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 516-517)
Kind:
a-1. Engelken Willemsdr., geboren ca. 1573
b. Maerten Joosten, stadsbode te Dordrecht, overleden ca. 1586, trouwde Marijcken Laurensdr.
- 10 juni [10 april is doorgehaald] 1586: comp. Marijcken Laurensdr., weduwe van Maerten Joosten stadsbode, enerzijds en Jacob Joosten linnenwever voor zichzelf en Cornelis Fransz. schoenmaker, beiden vervangende Daniël Joosten en Adriaen Joosten, allen ooms en voogden van Joost Maertensz., 9 jaar oud, Laurens Maertensz., 7 jaar oud en Jan [Maertensz.], 3 jaar oud, kinderen en erfgenamen van Maerten Joosten, door hem verwekt bij Marijcken Laurensdr., anderzijds. Comparanten hebben onderling de nalatenschap van Maerten Joosten verdeeld, waarbij aan de weduwe is toebedeeld alle goederen, die haar man heeft nagelaten, in ruil waarvoor zij beloofd heeft haar kinderen te onderhouden en op te voeden tot hun achttiende jaar en hun dan een bedrag van 50 Rijnse gulden uit te keren. Voor de nakoming daarvan verbindt Marijcken Laurensdr. haar huis op de Hil [thans Bethlehemplein], staande tussen het huis van Arien Ockersz. en de tuin van de weduwe en erfgenamen van Henrick inden Harinck, alsmede twee rentebrieven van resp. 9 en 15 Rijnse gulden. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 388v e.v.)
Kinderen:
b-1. Joost Maertensz., geboren ca. 1577
b-2. Laurens Maertensz., geboren ca. 1579
b-3. Jan Maertensz., geboren ca. 1583
- 18 mei 1583: Maerten Joosten stadsbode koopt van Truijken Simonsdr., weduwe van Claes Huijmansz., een huis in de Lombardstraat. Hij is schuldig aan verkoopster een somma van 938 gl. Borgen: Jacob Joosten linnenwever en Cornelis Fransz. schoenmaker. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 61 e.v.)
c. Jacob Joosten, geboren ca. 1545 (= kwartier 96)
d. Daniél Joosten, geboren ca. 1553, linnenwever te Dordrecht (ORA Dordrecht inv. 899, akte dd 1 sept. 1604)
e. Arien/Adriaen Joosten
d. Adriaentgen Joosten, trouwde naar schatting ca. 1580 Cornelis Fransz. schoenmaker te Dordrecht, overleden tussen 10 juni 1586 en 18 mei 1594
194. Dirck Ockersz., munter te Dordrecht (vanaf 1541), trouwde
195. NN
- april (na Pasen) 1541: heeft Dierck Ockersz. zijn werk als munter gewrocht op de derde muntersplaats. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V ('s-Gravenhage 1951), kol. 132)
320. Goert van der Bruggen, geboren naar schatting ca. 1470, meester leidekker te Maastricht, vermeld 1497-1526, deken van het metselaarsgilde tussen 1503 en 1521, trouwde NN, vermeld op 25 mei 1526 als "Goert Sceversteijndeckers huijsfrouw" (= kwartier 321?) (Nederlands Patriciaat 1939, p. 368)
358. Dirck Jansz. van Clootwijck, schepen/heemraad van 's-Grevelduin, trouwde
359. Geertruijt Jan Doedijnsdr.
(www.klootwyk.nl/links.asp)
Kinderen (volgorde onzeker):
a. Aerjaentgen Dircxdr. van Clootwijck, overleden vóór 23 jan. 1580, trouwde 1e Adriaen Eemansz. van Veen, 2e Claes Cornelisz., vleeshouwer te Gorinchem
Kind (ex 1):
a-1. Judich Adriaensdr., van Gorinchem, trouwde Dirck Sandersz.
- 23 jan. 1580: Judich Adriaensdr. van Gorinchem, weduwe van Dirck Sandersz., thans wonende te Dordrecht, verleent procuratie aan haar neef Damas Aertsz. van der Poel om te innen van Claes Cornelisz., vleeshouwer te Gorinchem, weduwnaar van haar moeder Aerjaentgen Dircxdr. van Clootwijck, een bedrag van 26 ponden groten Vlaams, die haar, constituante, toekomt wegens de nalatenschap van haar moeder en haar vader Adriaen Eemansz. van Veen. (ORA Dordrecht inv. 735, f. 206v)
b. Neeltje Dircksdr. van Clootwijck [= kwartier 179]
388. Ocker NN, trouwde
389. Pieterken Woutersdr., overleden vóór 27 dec. 1577
- 25 mei 1591: Jacob Joosten linnenwever, als man van Geertruijt Dirricxdr. en Cornelis Jacobsz. schoenmaker, als man van Aechgen Simonsdr., verklaren volledig voldaan en betaald te zijn door Adriaen Ockersz. muntenaar "van alzulcken ontfanck ende administratie als den selven Adriaen Ockersz. van hen comparanten wegen sedert den 27en december anno 1577 gehadt heeft ... van de goederen bij wijlen Pieterken Woutersdr., hare grotemoeder metter doot geruijmpt" en dat zij door Adriaen Ockersz. tevens betaald en voldaan zijn van hetgeen hun vrouwen geërfd hebben van hun nicht Heijltgen Jansdr. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 249)
Kinderen:
a. Dirck Ockersz., geboren naar schatting ca. 1515 (= kwartier 194)
b. Adriaen Ockersz., geboren ca. 1520, muntenaar te Dordrecht, overleden na 25 mei 1591
- 12 mrt. 1552: heeft Adriaen Ockersz., broer van Dirick Ockersz. zijn werk als munter gewrocht. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V ('s-Gravenhage 1951), kol. 132)
- 24 jan. 1570: verklaring door Adriaen Ockersz. muntenaar, 49 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 709, akte 89)
- 30 okt. 1571: verklaring op verzoek van Adriaen Snouck, als man en voogd van Aeffken Hermansdr., Govert Aertsz. vleeshouwer, Adriaen Ockersz. lijndraaier en Pieter Gijsbrechtsz. schoenmaker, als voogden over Soetman en NN Andriesz., onmondige kinderen van wijlen [Andries Adriaen Ockersz.] en Neeltgen Soetmansdr. (ORA Dordrecht inv 728, f. 88v)
|