ONA Dordrecht (tot 1720)
Diverse akten uit het Oud Notariële Archief van Dordrecht (archief 20).
(De volgorde is chronologisch.Tussen haakjes het inventarisnummer en eventueel akte- en/of folionummer.)
28 april 1614: testament van Henrick Aelbertsz. droogscheerder wonende te Dordrecht en zijn vrouw Sara Coleth, hij ziek te bed liggende, zij gezond. Hij heeft twee voorkinderen, genaamd Aelbert Henricxsz. en Aeltgen Henricxdr. Zij benoemen tot voogden de langstevende van hen beiden, benevens haar broer Lambrecht Coleth. (28, f. 96v e.v.)
19 dec. 1618: boedelscheiding tussen Jaepken Jansdr., weduwe van Gillis Pietersz. Romeijn, in zijn leven houtkoper en burger van Dordrecht, geassisteerd met Johan Cornelisz. vleeshouwer en Huijch [Cornelisz.] Calis, secretaris van Alblas, resp. haar vader en neef, als haar gekoren voogden in deze en Claes Pietersz. hoedenstoffeerder en Johan Anthonisz. Block, als man en voogd van Cristina Pietersdr., resp. broeder en zwager van Gillis Pietersz. [Romeijn] en erfgenamen ab intestato (23, f. 405 e.v.)
12 juni 1628: Testament van Cornelis Claesz. Stoop huistimmerman en zijn vrouw Cornelia Pietersdr., burgers van Dordrecht (mutueel testament). (70, f. 121v e.v.)
[4 mei 1654: Cornelia Pieters, weduwe van Cornelis Claesz. Stoop, verkoopt aan Joris Jansz. Penijn een huis in de Vrankenstraat, staande tussen het huis van Leendert van Ingen en dat van Jan Jans. (ORA Dordrecht inv. 779, f. 95v)
7 aug. 1634: comp. Pieter Blockee twijnder en Lambert Lucasz. schipper, beiden burgers van Dordrecht. Verklaring op verzoek van Dirck Baltsz. Struijck, wonende op Papendrecht. De eerste comparant getuigt, "dat hij uijten mont van Herman Jansz. Jansz. Verwout van Amsterdam verscheijden ende meenichmaelen heeft verstaen, dat hij Verwout is gecomen op Saterdach voorleden 's avonts tussen 6 ende 7 uijren opten Rietdijck, ende dat hij aldaer gevraecht heeft naer een wagen op Amsterdam ende dat hem voor een wagen omme hem ende sijn geselschap te voeren op Amsterdam is geëijscht eerst XIII gl. ende noch eens XII gl., maer dat hij daerop geen gelt heeft geboden, ende dat hij Verwout daenaer heeft gevraecht waer den voerman was die hem XII gl. geëijscht hadde, het welcke den voorsz. Dirck Baltsz. Struijck was, den welcken terstont seijde Hier ben ick mijn heer." De tweede comparant verklaart, "dat hij selffs present geweest [is] en gehoort heeft, dat den voorn. Verwout den voorsz. Struijck eerst heeft geboden X gulden ende een roggenbroot voor de paerden, datelijck daernae bode hij elff gulden ende een roggenbroot, des soo begeerde hij van hem Struijck gevoert te wesen ende van anders nijemant, waerop den voorsz. Struijck seijde ick en soude niet geern met crackeel te doen hebben, soo hadde ick liever datse wierpen, want ick salder mede om smacken [dobbelen], waerop den voorsz. Verwout antwoorde dat hij niet en begeerde van ijemant anders gevoert te sijn als van hem (te weten den voorsz. Struijck). Waerop hij Lambert Lucasz. seijde Wat heerschap, wilt gij se niet laten smacken. Het een is sijn swager, het ander is sijn cosijn ende zij hebben alle du ende goet gereetschap. Daerop hij Verwout antwoorde dat hij nijemant anders en begeerde als den voorsz. Struijck seggende Mach ick niet nemen dien ick wil, ick en hebbe niemant anders gelt geboden als hem. Maeckt gij u wagen claer." (80, f. 120)
[Dirck Balthensz. [Struijck], van Papendrecht, weduwnaar van Pietertgen Jans, trouwde NG Alblasserdam 13 sept. 1637 (otr.) Haeschgen Lauwen, geboren naar schatting ca. 1610, jonge dochter van Alblasserdam (1630), weduwe van Laurens Arijensz., van Alblasserdam (1637), trouwde 1e NG Alblasserdam 27 jan. 1630 (otr.) Laurens Arijensz. (Baten), jongman van Nieuw-Lekkerland (1630), overleden ca. 1635
Weeskamer Alblasserdam inv. 2, 22 febr. 1631: comp. voor schout en heemraad van Alblasserdam Marieken Woutersdr., weduwe van Louris Schallicxsz. [Schalcken], geassisteerd met haar broer Jan Woutersz., enerzijds, contra Pieter Schallicxsz., oom en voogd van de weeskinderen van wijlen Louris Schallicxsz. en Jacob Jansz., mede oom van de kinderen, anderzijds. Comparanten zijn tot een overeenkomst gekomen betreffende de verdeling van de goederen, die zijn nagelaten door voornoemde Louris Schallicxsz. Marieken Woutersdr., weduwe en moeder van Louris' kindere, zal in eigendom behouden huis, hof, erf, "kennipwerff", land, griendingen en alle overige onroerende en roerende goederen, op voorwaarde, dat zij aan ieder kind een bedrag van 60 gl. zal uitkeren en haar onmondige kinderen zal alimenteren, opvoeden etc. tot hun achttiende jaar. Voor de nakoming daarvan verbindt zij haar huis, staande op de Kinderdijk. De kinderen zijn: Hauwiken Lourisdr., "voljarig" en gehuwd met Louris Baten, Leengen Lourisdr., mede mondig en "voljarig", Neeltgen Lourisdr., op Ridderkerkse kermis 1631 ongeveer 16 jaar oud, Erxgen Lourisdr., ongeveer 13 jaar oud en Schalck Lourisz., met Kerstmis 1631 ongeveer 6 jaar oud.
Kinderen:
Ex 1:
a. Jan Dircksz. Struijck, geboren ca. 1630 (ONA Dordrecht inv. 231, f. 186, akte dd 17 april 1670), trouwde naar schatting ca. 1665 Marichjen Ariens, geboren ca. 1645 (ONA Dordrecht inv. 231, f. 185, f. 185, akte dd 15 april 1670)
Kinderen (o.a.)
a-1. Neeltie, gedoopt NG Papendrecht 19 okt. 1670
a-2. Pietertie, gedoopt NG Papendrecht 15 mei 1672
a-3. Aertje, gedoopt NG Papendrecht 13 juni 1686
Ex 2:
b. Pieter Dircksz. Struijck, geboren naar schatting ca. 1640, trouwde NN
Kinderen (o.a.):
b-1. Hadewy, gedoopt NG Papendrecht 6 dec. 1671
b-2. Jacob, gedoopt NG Papendrecht 14 jan. 1680
c. Laurens Dirksz. Struijck
d. Truijchien, gedoopt NG Papendrecht 12 aug. 1645]
7 nov. 1636: testament van Lambert Colet, zoon van Nicolaes Colet en Maria Lambertsdr., beiden zaliger. Lambert is een jongman van ongeveer 18 jaar oud. Hij benoemt tot erfgenaam zijn stiefmoeder Beatricx Evertsdr. en bij vooroverlijden haar zuster Jenneken Evertsdr. Hij tekent met "Lambert Claesz. Colet". (59, f. 335 e.v.)
1 mei 1640: comp. voor notaris D. Eelbo Jan Aelbertsz. Redervelt, Jeremias Aelbertsz. Redervelt, Andries Jeremiasz. wagenmaker en Coenraet Damasz. [van der Linde], beiden als voogden van Abraham Aelbertsz. Redervelt, allen kinderen van wijlen Aelbert Jansz. Redervelt en Elisabeth Jeremiasdr., hun vader en moeder zaliger. Zij hebben onderling verdeeld alle goederen die hun ouders hebben nagelaten. Jan Aelbertsz. is bij de kaveling te beurt gevallen - boven het grootste deel van de huisraad - het huis, waarin zijn ouders zijn overleden, staande in de Vleeshouwersstraat tussen het huis van Jan Govertsz. ijzerkoper en dat van Aert Coenen van Isenbroeck koekenbakker, op voorwaarde dat hij aan zijn broers Jeremias en Abraham elk een bedrag van 1300 gl. zal betalen. Getuigen: Francois Bridouw en Joannes Coenraetsz., inwoners van Dordrecht. [60, f. 88v]
4 mrt. 1644: comp. Arijen Cornelisz. Roobol, als vader van Cornelis Arijensz. Roobol, aan wie Arijen Arijensz. Bramen door ongeluk en bij toeval manslag heeft begaan, Jan Arijensz. Roobol en Willem Arijensz. Roobol, broeders van de overledene, Frans Cornelisz., Cornelis Cornelisz., Bastiaen Cornelisz., Pieter Cornelisz., Cuijnder Schoutten, Willem Schoutten, allen ooms en behuwde ooms van de overledene, Pieter Pietersz. Besteman, oudoom van de overledene, Dirck Cornelisz., Jacob Cornelisz. de Heer, Willem Joosten, Jan Teunisz., Frans Dircxz. Gout, Cornelis Dircxz. Gout, Pleun Arijensz. van de Blaeck, Arijen Meeusz., Willem Pietersz. Besteman, allen naaste bloedverwanten van Cornelis Arijensz. Roobol, voor henzelf en vervangende andere, absente of onmondige bloedverwanten van voornoemde Roobol. Zij verklaren overeengekomen te zijn met Arijen Abrahamsz. Bramen, als vader en Ingentgen Dircxsdr., de vrouw van Arijen Arijensz. Bramen, dat aangezien de manslalg door ongeluk en bij toeval is geschied, zij Bramen uit de grond van hun hart hebben vergeven, belovende hem daarover niet meer te zullen "moeijen noch molesteren", op voorwaarde, dat Arijen Arijensz. Braemen gehouden zal zijn alle naaste verwanten van de overledene "den wech te schouwen ende in geene gelagen te comen daer, de selve sijn, wijders dat sijluijden sullen betaelen aen de Armen van Dubbeldam de somme van thijen gulden alsmede alle de costen van de begraefenisse." Aldus gedaan in tegenwoordigheid van Damis van Slingelant, schout van Dubbeldam en Claes Cornelisz. Fles, koopman te Dordrecht, als getuigen (84, f. 40r en 40 v)
3 mrt. 1645: comp. Willem Robbertsz. Vernock, 50 jaar oud en IJsaack Abrahamsz., 34 jaar oud, beiden blauwververs en dekenen van het Blauwverversgilde te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Jaecques Terwen, burger van Utrecht, dat hij een meester van het voornoemde ambacht van blauwverven is. De eerste attestant verklaart dat hij Terwen het vak heeft geleerd "ende alsulcx gesijen te hebben dat sijne handelinge ende prouff goet was." Getuigen: Jacob Terwen zijdewerker en Steven Hermansz. Cool metselaar, burgers van Dordrecht. (42, f. 52 e.v.)
.jpg)
Verwerskapel. Gevelsteen in de Grote Spuistraat te Dordrecht. (www.gevelstenen.net)
18 aug. 1645: testament van Vincent Pietersz. speldenmaker en zijn vrouw Sara Abrahamsdr. Verhoop, burgers van Dordrecht, hij ziek in bed zittende, zij gezond. Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun onmondige, ongehuwde dochter Martijntgen Senten te onderhouden etc. tot haar mondigheid of eerder huwelijk. (68, f. 239 e.v.)
30 april 1652: sommiere staat van de goederen nagelaten door Pieter de Bont, volgens inventaris opgesteld door notaris D. Eelbo op 1 mrt. 1650 en bevonden door notaris Corn. van Bijwaert op 30 april 1652. (Weeskamer Dordrecht inv. 22, f. 254 e.v.)
24 febr. 1656: comp. Aletta Cornelisdr. de Doot, weduwe van Jan Jacobsz. Sperwer, Cornelis Joosten de Doot, voogd over de minderjarige kinderen van Cornelis Joosten de Doot, zijn zuster, Johannes Prins, getrouwd met Johanna de Hartich, weduwe van Sebastiaan Hogendijck zaliger, voor zichzelf en voor Jacob Abelsz. de Vries, als echtgenoot van Maria Hogendijck, Geerardt Michielsz. de Veer, Anna Joosten de Doot, weduwe van Cornelis Sperwer, voor zichzelf en van wege Jan Jacobsz. Driesman, getrouwd met Geertruijt Jansdr., Cornelis Sijmonsz. van Driel, getrouwd met Aechie Cornelisdr. de Veer, mitsgaders Johannes en Davit Aertsz. Borgers, allen naaste verwanten en erfgenamen van Jan Francken en diens dochter Janneken Jansdr. Francken. (111, f. 80 e.v.)
15 sept. 1663: "Memorie ofte Staedt van de goederen die Aert Heijmansz. [van Oudheusden], getrout hebbende Ida Bordels, van Margareta Lijbert, jegenwoordich huijsvrouwe van Philips de Bonte, bij taxatie aengenomen heeft, breeder gespecificeert op den inventaris ende de taxatie bij Cornelia Fiot en Ariaentgen [sic], geswore uijtdraechsters, van ijder stuck gedaen:
o.a.:
- 4 schilderijen 3 gl.
- een schilderij van een "schaapshooft" 5 gl.
- een schilderij "sijnde een zeevaert" 4 gl.
- een schilderij "sijnde een roomer"
- een landschap 1 1/2 gl.
- een groot schilderij van het Riedijkshoofd te Dordrecht 12 gl.
- een grote Bijbel 5 gl.
- een kleine Bijbel 4 gl.
- 15 grote en kleine boeken 5 gl.
(406)
3 nov. 1670: voor notaris A. van Neten comp. Cornelis van Wessem, ongeveer 40 jaar oud en Pieter Helmich, ongeveer 28 jaar oud, twijnders en burgers van Dordrecht, werkende ten huize van Pieter van Regenmorter, koopman te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Leonardt van Naerssen, koopman te Rotterdam, oom van moederszijde en voogd van Revixit Vlam, dat zij op 24 okt. 1670 geweest zijn ten huize van Pieter van Regenmorter,"alswanneer zijn huijsvrouwe jouff. Elisabeth van Naerssen op zekere geruchten zoo haer waeren te ooren gecomen hadde ontboden Maijken Pieters jonge dochter zoo aldaer ten huijse mede in twijnen gewerckt hadde ende haer attestanten zeer wel bekent is, ende alsdoen gehoort te hebben dat d'voorsz. jouff. Elisabeth van Naerssen de gemelte Maijken Pieters iterativelijcken afvraechde of deselve hadde voorgegeven dat zij swanger was, bijden voorn. Revixit Vlam waer[op] zij Maijken Pieters t'elcken antwoorde Jae, replicerende d'voorsz. jouff van Regenmorter dat zij het looch voegende daer bij wat bewijs zij daer van zoude connen doen, ende of zij ijetwas vande voorn. Vlam hadde ende hij haer hadde beloovt te trouwen, antwoordende d'selve Maijken Pieters tot verscheijde malen Neen, maer dat zij hem het kindt soude opsweeren ende zij het [wilde] ... brengen int huijs daer sij het hadde gehaelt waer over d'voorsz. jouff. Regenmorter d'voorsz. dapper doornam van datse een vuijle hoer was ende datse voortaen noijt meer in haer werckhuijs soude hebben te verschijnen". (151, f. 423)
[Revixit van Naerssen Thomasz., gedoopt NG Dordrecht mei 1595, trouwde Anthonetta (Jacobsdr.) van Heel, begraven Rotterdam 21 febr. 1655 (Teuntje Jacobs, vrouw van Reviscit van Naersen)
Kinderen (o.a.):
a. Ida van Naerssen, trouwde naar schatting ca. 1645 Dominicus Vlam
Kinderen (o.a.)
a-1. Revixit Vlam
b. Elisabeth van Naerssen, jonge dochter van Rotterdam wonende in de Wijnstraat (1667), trouwde NG Rotterdam 10/27 juli 1667 Pieter van Regenmorter Pietersz., weduwnaar van Maria van der Heijden wonende te Dordrecht (1667), koopman, oudraad (1672) en schepen (1673) van Dordrecht
c. Leonard van Naerssen, burgemeester van Rotterdam (1673, 1674), door de stad Rotterdam verleden met de ambachtsheerlijkheid Kralingen.
(Balen, o.c., deel II, p. 1151 e.v.)]
20 mrt. 1675: comp. Anthonetta van Haerlem, weduwe van Arent Dichters [geboren Dordrecht naar schatting ca. 1610, dochter van Gijsbert van Haerlem Rochusz. en Liduwi van Diemen Gijsbertsdr. (M. Balen, Beschryvinge der Stad Dordrecht [Dordrecht 1677], deel II, p. 1076), trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten) 12/28 aug. 1638 Arnoult Dichter(s), jongman van Luik, zoon van Nicolaes Dichter(s) en NN], wonende te Dordrecht, redelijk gezond, om haar testament te maken. Zij legateert aan Maria en Catharijna Dichters, zusters van haar overleden man, "twee conterfeijtsels van haer testatrice ende den gemelten haeren man int cleijn met ovale ebben houte leijsten, alnoch een schilderije representerende t'aenbidden der drije Coningen, gemaeckt door Benjamin Cuijp".
Benjamin Cuijp, Aanbidding door de Drie Koningen
Aan Petronella Dichters, eveneens haar mans zuster, legateert zij een lijfrente van 250 gl. jaarlijks, haar leven lang gedurende, aan Maria Dichters, nicht van haar man "een groote schilderije daerinne de conterfeijtsels van haer testatrice en haar zaliger man, representerende de historie van den jongen Tobias haelende sijn huijsvrouwe [Tobias, de zoon van Tobit. trouwde in Ekbatana met Sara. "Tobit" is een - althans volgens de protestanten - apocrief bijbelboek, dat in de katholieke bijbel behoort tot het Oude Testament en staat tussen de boeken Nehemia en Judit.], gemaeckt door [Carel] Fabritius, [1622-1654, schilder te Amsterdam, Beemster en Delft, omgekomen bij de explosie van de Delfste buskruittoren op 12 okt. 1654. NNBW, deel VIII, (Leiden 1930), kol. 525-526, in voce Carel Fabritius, vermeldt als één van de toen - begin jaren 1930 - bekende werken van Fabritius: Tobias en zijn vrouw, een werk dat zich toentertijd te Innsbruck bevond] alnoch de conterfeijtsels vande voorn. haer mans grootvader ende broeder Alexander", aan Marguareta Dichters, mede haar mans nicht en zuster van voornoemde Maria Dichters "de conterfeijtsels vande voorsz. haer zaliger mans vader ende moeder, met noch een schilderije verbeeldende de begraefnisse Christi gemaeckt door den Borgemeester vander Lisse inden Hage, alnoch een groot palm houte crucifix hebbende een swarten ebben voet, gemaeckt ofte gedraeijt door haer vader d'heer Nicolaes Dichters en door den selve aen haer testatrice voorsz. zaliger man voor desen gelegateert", aan Arnold Martin, zijnde de zoon van haar mans nicht Elisabeth Pierotte, wonende te Houffalize of daaromtrent, door haar en haar man ten doop geheven, eens de somma van 50 gl., aan Arnold le Ruijt, zoon van Aert le Ruijt, mede haar neef 50 gl. eens, aan Arnold van Galen, zoon van haar zuster wijlen Lidvina van Haerlem, mede ten doop geheven "een groot schilderije zijnde een boere kermis gemaeckt door [David] Vinckeboom" [David Vinkenboom of Vingboons, schilder en etser, vermoedelijk geboren in 1578 te Mechelen, overleden te Amsterdam in 1629], en in geld eens de somma van 100 gl., aan Anthonetta van Galen, mede haar voornoemde zusters dochter, ook ten doop geheven, "de groote conterfeijtsels van haer en haer man, item het cas[t]ken met een partije coguilliens en andere rariteijt daerinne berustende", haar mans diamanten ring, een bed met beddengoed, in geld een somma van 100 gl., het lijnwaad "totte testatrice lijve approprieerende" en haar beste rode onderrok, aan haar behuwd neef Abraham van der Lisse "een groot schilderije vvtbeeldende een leger ofte rendevou van schepen leggende voor Nieumegen gemaeckt door Aelbert Cuijp", aan Fransoijs van der Lisse, haar neef "een schilderije representerende een Quacksalver gemaeckt door [Pieter] Breugel, ende een lantschap met beesten daerin, door Hondekoot [Melchior d'Hondekoeter]", aan Gerardus de Bruijn, haar neef een "plaet silver staende in een lijst daerin Jesus, Maria, Elisabeth ende St. Jan, gemaeckt ende gedreven" door zijn broer Rochus de Bruijn, aan haar neef Nicolaes de Bruijn in geld een bedrag van 50 gl., aan Jannette Maria, dochter van Cornelis de Jongh, mede ten doop geheven, een bedrag van 25 gl. eens, aan haar neef Fransoijs Pierot, wonende te Anteijn en bij vooroverlijden aan zijn zusters zoon, een somma van 100 gl. en aan haar behuwd neef Abraham van der Lisse 1000 gl., aan te wenden op de wijze zoals zij hem mondeling heeft opgedragen en zonder daarvoor aan iemand ter wereld rekening te hoeven afleggen. Voorts "remitteert" en legateert zij testatrice aan haar mans zuster Petronella Dichters en haar nicht Anthonetta van Galen al hetgeen zij aan haar testratrice en haar mans boedel schuldig zouden mogen zijn, ter zake van kostgeld, kleding en dergelijke. Testatrice wenst, dat na haar overlijden aan haar mans zusters en broeder uitgereikt zullen worden de kerkelijke ornamenten, schilderijen, tafel etc. op het kamertje van Margrieta Dichters, welke haar man onder bepaling van fideï-commis in eigendom heeft gehad, overeenkomstig het testament van zijn moeder en zuster. Voorts legateert zij nog aan Gijsbartus [sic] van Galen, zoon van haar zuster, wijlen Lidvina van Haerlem, een bedrag van 100 gl., aan het nagelaten weeskind van haar broer Johannes van Haerlem, met bepaling van fideï-commis, een somma van 1000 gl. en aan de jongste kinderen van Lidvina van Haerlem samen eveneens 1000 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij de zes kinderen van haar zuster Lidvina van Haerlem, m.n. Rochus, Anthonetta, Willemijntje. Johanna, Arnold en Cornelia van Galen, ieder voor een gerecht 1/6 part. Tot executeurs-testamentair stelt zij aan Cornelis Beljaerts en Justus Coxius, beiden leden van de Oudraad te Dordrecht en Abraham van der Lisse, wonende te Breda, haar behuwd neven. (160, f. 158 e.v.)
20 nov. 1676: notaris P. van Son heeft op verzoek van Govert van Tricht, jongman ongeveer 25 jaar oud, (nadat hij zich op dezelfde dag met Sara Duijssers, jonge dochter 24 jaar oud, geassisteerd met haar zuster Adriana Duijssers, weduwe van Cornelis Bor, in zijn leven luitenant van de Compagnie Marijnen, allen wonende te Dordrecht, gepresenteerd heeft in de consistorie van de NG-kerkenraad van Dordrecht, ten einde zich aldaar te laten aantekenen voor de huwelijksproclamaties, hetwelk hem geweigerd werd door de predikanten Staphorstius en Oostrum), zich aanstonds vervoegd in de consistorie en gevraagd aan de heren predikanten om wat voor reden dat geweigerd was. Waarop ds. Oostrum heeft geantwoord: omdat door het Hof van Holland volgens appointement dd 12 nov. 1676 Van Tricht was bevolen te verschijnen voor Cornelis Teresteijn van Halewijn en Cornelis van Neijn, raden van het Hof van Holland, als commissarissen, om de rekwirant en zijn voogd "was't doenlijck te vereenigen" en dat hun, predikanten, zulks nog niet was gebleken. (442, f. 115 e.v.)
27 nov. 1676: notaris P. van Son heeft zich op verzoek van Govert van Tricht, jongman ongeveer 25 jaar oud, vervoegd in de consistorie van de Augustijnenkerk, alwaar toen als voorzitter van de vergadering zittende was ds. Debiths, predikant te Dordrecht en heeft verklaard dat het Hof van Holland op het rekest van Van Tricht verleend heeft "nihil", waarmee de reden voor de weigering om de geboden te verlenen kwam te vervallen. De heer Debits heeft daarop gezegd "dat de voors. vergaderinge na verhoor van partijen den insinuant voor alsnoch tot het aenteijckenen van sijne geboden niet hadden konnen admitteren", omdat Hunne Edelheden was gebleken, dat op het rekest van de insinuant was verleend "nihil hic" en dat hij ook in één of twee akten van het Gerecht te Dordrecht "was genoemd innocent" en dat hij het maar hogerop moest zoeken. (442, f. 121 e.v.)
27 okt. 1677: testeert Margareta Godewijck, ongehuwde dochter wonende te Dordrecht, ziek in een stoel zittende. Zij legateert aan haar neven Thomas Thomasz. en Jacob Thomasz. Gravendijck elk een somma van 50 gl., aan haar neef Samuel van der Heijden, wonende te Dordrecht "haer alderbeste, ende grootste stucken borduurwerck bij haer testatrice gemaeckt ... [en] haers papiers teijckenkonst, prenten ende 't gunt tot de voorsz. teijckenkonst gehoort", aan Matthijs Baelen Jansz., haar goede vriend, een stuk borduurwerk, zijnde een landschapje, door haar gemaakt in 1673 en aan de kinderen van Willem de Keijser, Londenvaarder, als zij bij haar overlijden nog bij hem inwoont, drie van haar kleinste borduurwerken. In al haar overige na te laten goederen benoemt zij tot haar enige erfgenaam haar nicht Margrieta Thomasdr. Gravendijck. Als executeur-testamentair stelt zij aan haar neef Samuel van der Heijden, die zorg moet dragen voor de verkoop van haar kunst en boeken. (ONA Dordrecht inv. 471, f. 176 e.v.)
Margareta, dochter van Pieter Govertsz. van Godewijck, gedoopt NG Dordrecht aug. 1627. NG trouwboek Dordrecht 29 mrt. 1626: Pieter Govertsz. van Godewijck stadsschoolmeester wonende bij de weduwe van Frantz van Bonckelweert met Sara Cornelis Pijpelaersdr. wonende in de Nieuwe Breestraat in " de Toren van Remunde", beiden van Dordrecht.
 
Margareta van Godewijck (1627-1677). Haar handtekening onder haar testament.
16 juli 1678: comp. voor notaris A. Meijnaert Janneken de Haen, weduwe van Jan Febis, schipper op Keulen. Zij verklaart voor 425 Rijksdaalders Hollands geld aan Jan Jansz. van Westervoort, schipper op de Rijn, haar beitelaak te hebben verkocht. (257, f. 92)
18 april 1679: comp. voor notaris G. Waltherij Jacomijnije Jacobsdr., weduwe van Willem Gerritsz. Hordijk, overleden en verongelukt onder Maasdam, geassisteerd met Wouter Cornelisz. Tael, wonende op Puttershoek, als haar gekoren voogd, enerzijds en Leendert Foppen van Driel, getrouwd met Cornelis Gerritsdr. Hordijk, wonende in Wieldrecht, Sijmon Gerritsz. Hordijk, wonende in Oud-Beijerland, voor zichzelf en voor de meerderjarige en minderjarige kinderen van Ingetie Gerritsdr. Hordijk en i.h.b. ten aanzien van de minderjarige kinderen met approbatie van Schout en Gerecht van de heerlijkheid van De Mijl en Arien Gerritsz. Hordijk, wonende op Dubbeldam, allen erfgenamen ab intestato van Willem Gerritsz. Hordijk, anderzijds. Comparanten zijn overeengekomen, dat Jacomijntje Jacobsdr. in het bezit zal blijven van alle goederen, die haar man heeft nagelaten, op voorwaarde, dat zij aan de voornoemde erfgenamen ab intestato een bedrag van 370 gl. zal uitreiken, die zij onder elkaar moeten verdelen volgens "d'ordonnantie ende ordre van successie ab intestato". Jacomijntie tekent met een merkje, de overige comparanten met hun naam. (308, f. 198 e.v. NB: deze akte is later geroyeerd en doorgehaald)
15 juni 1680; comp. voor notaris G. Waltherij Leendert Foppen van Driel, Sijmon Gerritsz. Hordijk en Arien Gerritsz. Hordijk, die verklaren van de vorenstaande akte van uitkoop door Hendrick Bastiaensz. van der Linden, echtgenoot van Jacomijntje Jacobsdr., volledig voldaan en betaald te zijn. Akte derhalve geroyeerd. (308, f. 199)
[Leendert Foppen van Driel, gedoopt NG Heinenoord 28 okt. 1629 (tweeling met Neelke), zoon van Fop (Fob) Cleijsz. van Driel en Maritke Bastiaensdr., trouwde naar schatting ca. 1660 Cornelia Gerritsdr. Hordijk. (zij is doopgetuige bij Janneken, gedoopt NG Heinenoord 18 nov. 1668, dochter van Bastiaen Foppen (van Driel) en Ingentie Jans)
ORA 's-Gravendeel inv. 81: op 9 juni 1671 assisteert Leendert Foppen van Driel, schepen van Wieldrecht, Maike Gerritsdr. Hordijk, bij het passeren van een akte van uitkoop met Cornelis Heijmansz. Cappeteijn, oom en bloedvoogd van haar weeskind, genaamd Heijman Wijdte van Es, negen maanden oud. (Heijman, gedoopt NG Barendrecht 7 sept. 1670, zoon van Wijt Heijmensz. en Maeijken Gerritsdr., get.: Cornelis Heijmensz.)
Gemeentearchief Strijen inv. 45: op 29/30 april 1675 koopt Leendert Foppen van Driel van Hendrik Pietersz. Winter een "roowithooffde" koe voor 101 gl.
Kinderen:
a. Fob, gedoopt NG Barendrecht 8 jan. 1660 (get.: Marritje Huijgen)
b. Simon Leendertsz. van Driel, vermoedelijk geboren te Barendrecht naar schatting ca. 1665, jongman van Barendrecht (1692), trouwde Dordrecht 7/29 dec. 1692 (volgens attestatie van ondertrouw te Dubbeldam) Lijsbeth Wouters, jonge dochter van Blankenburg (1692)
c. Marij, gedoopt NG 's-Gravendeel 10 april 1672 (Collectie Van Meurs)]
22 april 1684: Steven Pietersz. Kreeck, jongman wonende op 's-Gravendeel, benoemt tot erfgenaam zijn moeder Maijcken Stevens, wonende mede aldaar. Legaat voor zijn halfbroers Jan en Cornelis Hermansz. Voogden: zijn oom Steven Stevensz., smid op Maasdam en Dirck Stevensz., wonende op 's-Gravendeel. (243, f. 225 e.v.)
13 mrt. 1685: Leendert Cornelisse, wonende in Bleskensgraaf , Jan Gijsbertsz. [van der Wulp], burger van Dordrecht, zijn vrouw Annigjen Huijgen en Aentje Joris, vrouw van Nicolaes Muijen, wonende in Noordeloos, stellen zich borg voor Nicolaas Muijen voor de voldoening van de gemenelandsimposten en stadsaccijnzen, die op 1 april 1685 te Dordrecht in verpachting zullen komen en gehuurd zullen worden door Nicolaes Muijen. (485, zonder folionrs.)
14 febr. 1691: Cornelis van Someren, tegenwoordig wonende in Papendrecht, verhuurt aan Johannes van Tricht, wijnkoper te Dordrecht, een voorhuis met "comptoir", kelder en achterwoning, bestaande uit een middelkeuken, achterkeuken, nog een keuken grenzende aan de voornoemde kelder, een achterkamer met een goudleerkamer en een tuin met achteruitgang naar de Doelstraat van een huis in de Houttuin [Voorstraat], staande tussen het huis van de weduwe Van Bergen en dat van ds. Samuel van Til, voor 120 gl. per jaar. (520, akte 21)
26 mei 1691: Danïel van Veen, kamerbewaarder te Dordrecht en Matthijs Paradijs, hospes in "de Gouden Molen" te Dordrecht, leggen een verklaring af op verzoek van mr. Willem Stoop, schout van Dordrecht en Pieter Caan, burger van Dordrecht. Op een niet nader aangeduide dag in mei 1691 heeft de eerste comparant uit naam van Pieter Caan arrest gedaan op de persoon van Barent Jonckholt, inwoner van Gouda en terwijl hij in de herberg "de Gouden Molen" de akte van arrest zat te schrijven, is bij hem gekomen een zekere Hornincx, die eveneens in Gouda woont, samen met de voornoemde Jonckholt. Hornincx heeft toen gezegd: "Dat arrest zal niet veel uithalen, het is maar vagebondenwerk". De comparant verklaart gezien te hebben dat Hornincx, die in de gang van de herberg stond, Pieter Caan, die daar ook aanwezig was, een trap heeft gegeven, zonder dat Caan hem daartoe enige aanleiding had gegeven. (587, f. 75 e.v.)
19 april 1695: testament van Salomon Levi, wonende te Dordrecht. Hij benoemt tot universeel erfgenaam zijn vrouw Judick Meijers, die gehouden zal zijn hun minderjarige kinderen naar staat en gelegenheid van de boedel op te voeden en te alimenteren tot hun mondigheid of eerder huwelijk en hun dan een som geld of goederen uit te keren, zoveel als zij zal oordelen behoorlijk te zijn. Testateur begeert, dat zijn vrouw na zijn overlijden "sal vermogen te blijven in compagnie met sijne soonen Levi ende Meijer Salomons ende soodanige andere kinderen die met sijn testateurs overlijden inde compnts. negotie gestelt sullen sijn." Hij benoemt zijn vrouw en zijn twee oudste zoons tot voogden. Testateur tekent met zijn naam in Hebreeuwse letters. (568, akte 22, f. 45 e.v.)

13 mrt. 1697: compareren voor not. A. van Nievelt Jannichje Ariens, vrouw van Pieter Pluijm en Marijcke van der Haege, vrouw van Aert Hendricksz. Cop, beiden timmerlieden, de eerste wonende buiten en de tweede binnen de stad Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Teunis Joosten, bleker buiten de stad Dordrecht, dat zij op verzoek van de rekwirant zijn geweest bij Geertruijt ... [sic], dienstmaagd van de weduwe van Claes Gerrets, eveneens bleker en met haar hebben gesproken over het feit, dat zij door Teunis Joosten is zwanger gemaakt. Zij hebben voorgesteld "of het niet het beste soude sijn dat sij met den requirant het glad affmaeckte en het kind selfs hielde". Daarop heeft Geertruit geantwoord, dat als Teunis haar 200 gl. zou geven, zij het kind zou houden en hem daarover nooit meer lastig vallen. De attestanten hebben daarna 100 daalders geboden, welke Geertruijt heeft afgewezen. Na verder overleg met Teunis zijn de attestanten uiteindelijk met Geertruijt overeengekomen, dat de man haar 200 gl. zal betalen, waarop in mindering gebracht zulllen worden de 24 gl. aan kraamkosten, die hij haar al heeft gegeven. (597, f. 36)

De voorste vrouw zit in een zogenaamde bakermat.
18 juli 1698: compareert voor not. P. van Son Maximiliaan van der Hentsz [van der Henst, van der Hengst], die als onder-chirurgijn in 1693 op het schip Pijnenburg van Texel is uitgevaren naar Guinee. Hij verklaart procuratie te verlenen aan zijn zoon Matthijs van der Hentsz, die evenals hijzelf in Dordrecht woont om bij de kamer Amsterdam van de W.I.C. de penningen te innen, die hij nog tegoed heeft. (453, akte 57, f. 163 e.v.)
17 dec. 1698: compareren Adriaen Hoffman, garenbleker en Michiel van der Spoor, twijnder en burger van Dordrecht. Zij verklaren, dat Govert Bonten, garenbleker buiten Dordrecht, als echtgenoot van de weduwe van Arij Weda, ten behoeve van Pieter van Bellicum, inwoner van Gorinchem, heeft gepasseerd twee hypotheekbrieven, een van 1200 gl. en een van 1800 gl., waarvoor hij heeft verbonden de garenblekerij, waarop hij woont, liggende buiten Dordrecht tussen de Spuipoort en de Vriesepoort. Comparanten stellen zich borg voor Govert Bonten. Akte door beiden ondertekend. (593, f. 421 e.v.)
31 juli 1699: compareren voor notaris G. Muijs Jan Louisz. van der Elst, winkelier te Dordrecht. Hij verklaart zijn schoonzoons Arijen van der Spaen en Barnardus Stam schadeloos te zullen houden van zodanige borgtocht als zij voor genoemde notaris op dezelfde dag ten behoeve van zijn crediteuren hebben verleden en verleent procuratie aan zijn schoonzoons om zijn "soo vaste als losse en meuble goederen" aan de meestbiedende te verkopen en te transporteren. (594, akte 49)
31 juli 1699: Arijen van der Spaen, getrouwd met Lijsbeth Jansdr. van der Elst en Barnardus Stam, getrouwd met Pieternella Jansdr. van der Elst, stellen zich borg voor hun schoonvader Jan Louisz. van der Elst. Stam tekent met "Bernardus Stam". (594, akte 50) [Jan Lowijsz. en Jannetje Pieters laten dopen (NG Dordrecht) op 14 febr. 1663 een dochter Pietronel]
3 jan. 1702: testeren voor notaris J. van Bijwaert Maeijken Gijsbregts, weduwe van Jonas Tobiasz. Toon wolwever, en haar dochters Rebecca Jonasdr. Toon en Petronella Jonasdr. Toon, "bejaerde dogters", allen wonende te Dordrecht. Maijken Gijsbregts legateert aan haar dochters "alle de weijnige meuble goedertjens, cleederen als anders, dewelke van geen belang sijn", die zij nalaten zal., op voorwaarde dat haar dochters de kosten van haar begrafenis op zich nemen. Zij legateert aan haar drie getrouwde kinderen, of bij vooroverlijden hun wettige kinderen, een bedrag van 2 gl. 10 st. elk. Rebecca en Petronella benoemen hun moeder tot hun universele erfgenaam, doch indien hun moeder vooroverlijdt zal de langstlevende van hen beiden hun erfgenaam zijn. Als voogden over hun minderjarige erfgenamen stellen zij aan Jordaen Verstap en Hermanus de Bruijn, beiden burgers van Dordrecht. De moeder tekent met een merkje, de dochters met hun naam. (405, f. 1 e.v.)
28 mrt. 1703: Huijbert Borreth, koopman te Dordrecht, verklaart op 26 april 1701 "bij forme van donatie inter vivos [schenking onder de levenden]" aan zijn oudste zoon, Huijbert Borret, koopman en burger van Antwerpen, geschonken te hebben alle goederen, kredieten en "actiën", welke hem, Borret senior, toekomen in Cadiz en Sevilla, opdat zijn zoon zich daarmee kan vestigen "tot Spaens handelaer en negotiant." (722, f. 26 e.v.)
21 febr. 1705: mr. Arend Roeland de Carpentier, heer van Rijsoord, verkoopt aan Samuel Usie Cardose, wonende te Amsterdam, een obligatie ten laste van de West Indische Compagnie, groot 200 gl., staande op naam van de comparant, genummerd 251 en gedateerd 31 dec. 1700. (735, nr. 18, f. 44 e.v.)
26 mrt. 1709: testament van Jannetie Terwen, meerderjarige dochter, wonende te Dordrecht. Zij benoemt tot universele erfgenamen Goris Terwen en Jacobus Terwen, gebroeders, beiden zoons van haar overleden broer Jacobus Terwen en Maria Terwen, dochter van wijlen haar broer Hendrick Terwen, elk voor een gerecht 1/3 deel, op voorwaarde, dat zij ieder 1/3 part daarvan zullen afstaan aan testatrices broer doctor Johannes Terwen, hetgeen door wijlen Cornelis Terwen en testatrice is beloofd in het contract gepasseerd in het jaar 1708 ten overstaan van notaris E. Venloo te Dordrecht en op voorwaarde, dat van haar nalatenschap een somma van 2000 gl. wordt belegd in obligaties op het gemeneland om gedurende het leven van dr. Johannes Terwen te dienen tot zijn jaarlijks inkomen. Maria Terwen zal bovendien mogen "naderen" de wollen en linnen kleren, de gouden en zilveren sieraden, het beste bed en de vier beste kussens, door testatrice na te laten, mits zij zal goedkeuren de scheiding, die is gemaakt van de boedel, nagelaten door Laurens Terwen. Testatrice legateert aan Goris en Jacobus Terwen een somma van 1000 gl., aan de Armen van de Doopsgezinde gemeente van Dordrecht "staende onder de predeking van Dr. Cornelis van Bragt" een somma van 300 gl., aan Johanna van der Heijde, weduwe van Jacobus Terwen een zilveren schenkbord en aan Adriaentie de waster een somma van 100 gl. Tot voogden en executeurs-testamentair stelt zij aan haar neven Lodewijk Terwen en Jeronimus Terwen, kooplieden te Dordrecht en bij vooroverlijden van Lodewijk zijn oudste zoon Francois Terwen. (504, geen folionrs.)
5 juni 1711: boedelscheiding tussen Joosjen Ariens 't Jongh, meerderjarige dochter wonende onder 's-Gravendeel, enerzijds en Willem Ariensz. Reedijck, als man van Adriaentje Ariensdr. 't Jongh, mede wonende aldaar, anderzijds, beiden kinderen en erfgenamen van Arij Leendertsz. 't Jongh en Heijltje Bastiaense. (505, akte 35)
13 febr. 1712: voor notaris W. Pasman compareert Johan van Slingeland, inwoner van Dordrecht. Hij verleent procuratie aan Laurens van Loon, schepen van Dongen, om zich te vervoegen bij rentmeester Thomas Claypole, wonende te Dongen en hem te vragen of hij "zigh gedragende is als Erffgenaam van zaliger Juff. Thomalina Claypole, zijne doghter" of wie anders haar erfgenamen zijn, hetzij ex testamento of ab intestato. (813, akte 125)
1 mei 1712: compareren voor notaris G. Mugge Andries Rubbe en Jacobmijntie van der Linden, weduwe van Pieter Holst, wonende onder Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht, beiden van competente ouderdom, die op verzoek van Bastiaen de Leur, als man en voogd van Johanna Jaspers, wonende onder Meerdervoort, "dat sij attestanten op donderdag laatstleden voormiddag sonder het precise uijr onthouden te hebben, sijn geweest ten hujsen van Jasper Leenheer, woonende op Swijndrecht voornoemt, dat aldaer mede present quaem d'Hr. Pieter Cloens, in Dordrecht woonagtig, dat den voorn. Hr. Cloens sig alsdoen niet ontsag ten voors. huijse, selfs in presentie van sijn requirants huijsvrouw, te seggen dat eenen Jenneken Hendrixe, op Meerdervoort woonagtig, hem hadde gesegt als dat hij een clap hadde gecregen vanden requirant omdat den voorn. Hr. Cloens met des requirants huijsvrouw te familiaeren en quaden off onbehoorlijcken omgang houde. En verclaren de attestanten wijders dat de voors. Hr. Cloens, naer 't voorige gepasseerde, zijde dat de Slingse, alias Pieter Jansz. T'Hart, sulx gesegt zoude hebben voor de deur van Steven Thomas ter presentie en aenhooren van de voorn. Jenneken Hendrixe, ende Jannighien Thomas ..." (634, geen folionrs.)
20 aug. 1712: compareren voor notaris C. van Aansurg Warnard Roos en Jenneken van As, echtelieden wonende te Dordrecht. Testament op de langstlevende. Hij benoemt tot voogd zijn behuwd broeder Adriaen Pot en zij haar behuwd broeder Jan Naijen, schepen te Andel. Door beiden ondertekend. (717, akte 139, f. 399 e.v.)
31 jan. 1713: compareren voor notaris A. Blankert Lazarus en Hendrik van Heck, wonende te Dordrecht, kinderen en erfgenamen van wijlen Anna Baten, hun moeder, laatst weduwe van Gerrit van Duijnen, enerzijds en Jan van Heck, wonende te Dordrecht, mede zoon en erfgenaam van Anna Baten, zowel voor zichzelf en als echtgenoot van Cornelia van Duijnen, enige en universele erfgenaam van Gerrit van Duijnen, anderzijds. Zij komen overeen, dat de twee huizen, het ene staande op de hoek van de Stoofstraat in de Vriesestraat en het tweede in de Stoofstraat achter tegen het andere huis, nagelaten door Anna Baten, door de notarissen A. van Nievelt en B. van Gelsdorp publiekelijk zullen worden verkocht en dat de opbrengst van die verkoop zal worden aangewend voor het voldoen van de schulden en lasten van hun moeders boedel. (731, akte 3, f. 13 e.v.)
16 febr. 1713: Herman Raets, meester-chirurgijn te Dordrecht, verleent procuratie aan zijn vrouw Cornelia Jacobsdr. van der Meer om te verkopen zekere tuin, gelegen buiten de stad Hoorn, toebehoord hebbende aan Jan Verheij, die getrouwd is geweest met comparants overleden dochter, wijlen Cornelia Raets, op welke tuin de comparant met een schuldbrief "staat gevestigt". Voorts geeft hij haar last om op de verdere goederen van Jan Verheij, hetzij bij de Kamer van de V.O.C. te Amsterdam of Hoorn, hetzij elders, te verhalen "sodanige verdere actie en pretensie als den comparant soo uijt sijn eijgen hoofde en nogh als erffgenaem van sijn voorn. dogter Cornelia Raets, ofte nu wel ten laste van desselfs naergelaten boedel ende goedren te eijsschen ende deugdelijck te pretenderen heeft." Hij tekent met zijn naam. (609, f. 36 e.v.)
25 mei 1713: huwelijkse voorwaarden van Adriaen Op de Camp Francoisz., koopman te Dordrecht , meerderjarig koopman te Dordrecht, geassisteerd met Adriaen Op de Camp, koopman te Dordrecht, zijn oom en Johan van Someren, secretaris van Schieland etc., zijn zwager en Maria Terwen, jonge dochter, over de twintig jaren oud, geassisteerd met notaris E. Venloo als haar gekoren voogd in deze. Er zal geen gemeenschap van goederen zijn. De bruidegom zal alleen inbrengen de revenuën van zijn goederen en de winsten van zijn negotie en de bruid alleen de opbrengsten van haar goederen. Als zij als eerste overlijdt, zal de bruidegom uit haar goederen een somma van 12.000 gl. ontvangen. Aangezien de voogden van de bruid aan haar inmiddels overleden ouders hebben beloofd, haar op te voeden in de Doopsgezinde godsdienst, is bedongen, dat de bruid de keuze zal blijven houden om in de Doopsgezinde gemeente te blijven. (506, akte 38)
10 aug. 1714: Cornelis van Beveren, heer van De Lindt, wonende te Dordrecht, verklaart verhuurd te hebben aan Leendert Willemsz. Hartogh, wonende tegen de Kil onder 's-Gravendeel, de weide van de dijk, "den hack" van het houtgewas en het gebruik en gewas van de gorssinge van ongeveer 7 morgen land, liggende aan de Kil onder 's-Gravendeel, voordien gehuurd door Maerten Ariensz. Maesdam. Hartogh tekent met een merk. (611, f. 176 e.v., akte 62)
20 mei 1717: Arij Ponse en Maijke Breevoort, echtelieden, wonende even buiten het Sluisje aan de Noordendijk, benoemen elkaar tot voogd over hun minderjarige kinderen. Hij benoemt tot medevoogden zijn broer Jan Ponse en zijn zwager Willem Brevoort. (792, akte 59)
16 okt. 1717: mr. Matthijs Beelaerts, lid van de Oudraad te Dordrecht, verhuurt aan Pieter Naacktgeboren, bouwman te Wieldrecht, 18 1/2 morgen wei- en zaailand, gelegen in de elfde en twaalfde kavel van de Wieldrechtse Polder, met uitzondering van de woning van de verhuurder met vijvers, boomgaarden, tuinen en "plantagiën", gelegen in de elfde kavel, welke de verhuurder aan zich behoudt en op voorwaarde, dat de huurder de schuur en huismanswoning zal mogen gebruiken tot het moment, dat verhuurder voor een andere op het verhuurde land zal hebben gezorgd. Dat alles voor de somma van 36 gl. de morgen jaarlijks. Voorts verhuurt Beelaerts aan Naaktgeboren de gehele vijftiende kavel, groot 12 morgen, voor 35 gl. de morgen jaarlijks en de dijkettingen van de Wieldrechtse dijk, strekkende van de grote sluis van de polder tot aan de Reeweg, voor 40 gl. jaarlijks. Beelaerts tekent met zijn naam, Naaktgeboren met de letters PN. (679, akte 128)
12 febr. 1719: testeren Marcus Ariensz. van der Boot, viskoper te Dordrecht en Trijntie Ariensdr. van der Boot, weduwe van Pieter Cornelisz. Hoeck, in zijn leven viskoper te Dordrecht. broeder en zuster. Benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden. Testarice legateert aan Clara van der Heijden 50 gl., aan Corstiaen van Terneij passementwerker 50 gl. en aan Job van der Heijden 50 gl.. Testateur legateert aan Johannes Wor de Jonge burger van Dordrecht, zijn goede bekende vriend 100 gl. en aan Maijken Wor 50 gl. Hij tekent, zij zet een kruisje. (400, akte 11, f. 30 e.v.)
26 mrt. 1719: Mattheus, Sara en Annigie Ariens Kop, de beide laatsten meerderjarige ongehuwde dochters, zijn erfgenamen ab intestato van hun broer Cornelis Ariensz. Kop, die in 1691 is uitgevaren naar Oost-Indië met het schip "Saamslag". (521, akte 39)
|