Bloemlezing uit de dagboeken van PIETER VAN DER LENDE
Geboren : 31.10.1895 te Wolvega, gemeente Weststellingwerf
Gestorven : 3. 4.1959 te Brunssum (L.)
Met een voorwoord van de schrijver van deze dagboeken, waarin hij vermeldt, waarom hij ertoe is gekomen, om één en ander op schrift te stellen.
Ik heb de oorspronkelijke tekst bijna geheel gevolgd, m.u.v. enkele gedeelten, welke ter wille van de goede leesbaarheid hier en daar wat zijn aangepast.
Rotterdam, 2 maart 1987
E. HANSELMAN.
Voorwoord.
Waarom ik mijn herinneringen ga opschrijven.? Ja, dat vraag ik mijzelf óók af. Is het, omdat in de jaren na de oorlogen 1914 – 1918 en 1939 – 1945, zoveel herinneringen het licht zagen van dié mensen, welke in de oorlog wat te betekenen hadden, zoals Churchill, Eisenhower en vele anderen.? Mogelijk, dat ik daardoor op het idée gekomen ben, ook datgene op te schrijven van hetgeen ik alzo heb beleefd en aldus, al schrijvende in gedachten nog eens mee te maken, wat mij in mijn leven is overkomen. Mogelijk is er onder mijn nakomelingen nog iemand, die dan zal willen weten, hoe één van zijn voorouders heeft geleefd in een tijd, welke dan al ver achter hem zal liggen.
Ik heb in ieder geval reeds lang met het plan rondgelopen, om iets dergelijks als “Mijn Levensloop” te schrijven.
In de afgelopen oorlogsjaren, hebben mijn broer Geert en ik – of beter gezegd, mijn broer deed het werk en ik deelde mede in de resultaten – een onderzoek ingesteld naar onze afstamming.
Hierdoor kwam veel interessants aan het licht en kwamen wij op de hoogte van geboorte,- huwelijks, en sterfdata van vele onzer voorouders.
Echter over hun leven, hun lief en hun leed, konden wij niets te weten komen en juist daarover zou ik zo graag wat meer hebben willen weten.
Mocht er zich onder mijn nakomelingen eens iemand zijn, die dezelfde aspiratie koester als ik en die eens in het verleden zou willen snuffelen, dan zullen deze regels hem wellicht engiszin van nut kunnen zijn.
Als dit werkelijk het geval is en er zou zo’n iemand vele jaren na deze dagen zijn, dan zal dit de schrijver dezes een groot plezier bezorgen.
Hoe het dan ook zal zijn, ik ben heden begonnen, al dié dingen uit mijn leven op te schrijven, die ik mij nog herinner.
Het is voor mij een aangename tijdpassering, moge het voor de eventuele lezer interessante lectuur zijn.
Brunssum, den 15 November 1952
P. van der Lende
De voorgeschiedenis.
In de navolgende regels zal ik datgene beschrijven, wat eigenlijk reeds voor mijn geboorte plaatsvond en wat mij door mijn ouders is medegedeeld.
Veel is dit niet. Reeds op mijn veertiende jaar vertrok ik naar Duitsland en kwam toen hooguit nog een keer of vier per jaar in het ouderlijk huis terug, voor een korte vacantie van enkele dagen.
Mijn vader werd geboren op 25 Maart 1864, juist op een Goede Vrijdag, als zoon van Roelof van der Lende en Grietje Poorte.
Hoewel de geboorte plaats vond, nog vóór de ouders 9 maanden gehuwd waren, bleef hij enig kind.
Mijn grootvader moet een nogal zonderling persoon geweest zijn en mijn grootmoeder een doodgoed mens, eigenlijk méér een sloofje, die gewillig en met groot geduld en lankmoedigheid, de nukken en grillen van mijn grootvader verdroeg.
Met hun zoontje Jan, mijn vader, waren ze niet gelukkig. Op vijfjarige leeftijd kreeg hij kinderverlamming, een ziekte waarvan men de verwekker toen nog niet kende. Al het gedokter mocht niet baten en mijn vader werd voor zijn gehele leven lam aan beide benen.
Hij leerde later lopen, door te steunen op twee krukken onder de oksels, de benen slingerde hij dan één voor één vooruit.
Hierdoor kreeg hij de bijnaam van Jan Slinger. Hij kon zich echter slechts zeer langzaam voort bewegen. In zijn goede jaren misschien 2 ½ km in een uur tijds.
Toen hij een jaar of acht was, ging hij voor het eerst naar school met bokkenwagen.
Hij woonde in Nijlamer in de gemeente Weststellingwerf en moest naar school in Oldelamer, een afstand van ongeveer 2 ½ km.
Hij had uiteraard niet veel kameraden, want wie voelde er nu voor, om met een lam jongetje te gaan spleen.
Toch schijnt hij in zijn jonge jaren één vriend gehad te hebben, een zekere Lubertus Hoogkamp, waarover hij gaarne en met veel waardering sprak, maar die op jeugdige leeftijd overleed. Zij beoefenden tezamen gaarne het molenspel.
Vader moet desondanks een goede leerling zijn geweest. In kennis en ontwikkeling stak hij in later jaren ver boven zijn dorpsgenoten uit. Zijn ouders lieten hem het vak van kleermaker leren bij bazen in Wolvega en in Thij bij Steenwijk, waar hij tegelijk in de kost was.
Toen hij het vak kende, begon hij voor zichzelf in de ouderlijke woning. Echter, kleermaker in een boerenstreek in Friesland, is geen vak waar men rijk van wordt.
Als een boer in dié tijd al een pak bij hem liet maken – en niet naar een grotere zaak in Wolvega ging – dan had zo’n boer de eerste twintig jaar, niets anders meer nodig dan wat werkkleding en daaraan werd niet veel verdiend.
Bovendien werden er in die tijd door boeren stoffen gebruikt, die jarenlang meegingen. Een Zondagscostuum werd alleen gedragen bij feestelijke gelegenheden en voor de kerkgang. De rest van de Zondag droeg men een nieuw werkpak, dat nog niet gewaasen was.
Mijn grootmoeder stierf aan kanker, toen mijn vader ongeveer 2 jaar oud was. Men moest dus naar een huishoudster omzien.
Een jonge weduwe kwam in huis. Haar man was reeds op 21 jarige leeftijd aan de tering overleden, de jonge vrouw met een kind achterlatend, terwijl zij óók nog in verwachting was van een tweede kind. Dit stierf echter kort na de geboorte.
Deze jonge weduwe, die voor 70 cent per week in dienst werd genomen, werd mijn moeder.!
De verhouding tussen de twee jonge mensen – mijn vader en de jonge weduwe – werd weldra zo intiem, dat een huwelijk noodzakelijk werd. Ze trouwden op 1 November 1890.
In Januari 1891 werd hun eerste kind geboren, genaamd Roelof, naar mijn grootvader.
Zij woonden toen nog steeds in het ouderlijk huis van mijn vader, hetwelk eigendom was van grootvader.
Behalve mijn grootvader, maakte nog een neef van mijn vader deel uit van het gezin. Deze neef, óók Jan van der Lende geheten, werd Jan Pieter genoemd, omdat zijn overleden vader Pieter heette.
Mijn vader werd Jan Roelof genoemd. Dit was een gewoonte, die in mijn jeugd nog in ere werd gehouden, nl de zoon te noemen met de voornaam van zijn vader, zoals bijv. Hendrik Jan, Jan Sijbrand enz.
Vader en moeder gingen in 1892 verhuizen naar het dorpje Blesse, tussen Wolvega en Steenwijk. De reden hiervan is mij onbekend.
Mogelijk wilden de jonge mensen op zichzelf wonen, of verwachtten ze vooruitgang in zaken.
In ieder geval ging het óók in Blesse niet zo best en op 2 December 1892, werd daar mijn zuster geboren, welke Grietje werd genoemd, naar de moeder van mijn vader.
Ik weet verder van het verblijf van mijn ouders in Blesse niets, behalve, dat mijn vader eens, bij barre koude, gemaakte kleding weg moest brengen en dat de vingers hem toen in de handschoenen bevroren.
Hij kon immers door zijn lichaamsgebrek, zijn handien niet in de zakken steken, omdat hij zijn krukken vast moest houden.
In 1893 of 1894 verhuisden mijn vader met zijn familie naar Wolvega en betrokken daar een woning in de Kerkstraat, vlak bij de hoek op de Hoofdstraat. Thans is daar drukkerij G. Pnne gevestigd.
De buurt heeft nu een geheel ander aanzien, maar destijds waren het allemaal kleine huisjes. Als je de buitendeur opened, stond je gelijk in de woonkamer.
In dat huis werd, op de 31ste Oktober 1895, hun derde kind geboren en dat kind was schrijver dezes. Het kind werd genoemd Pieter, naar de vader van mijn moeder, die toen nog leefde en die buitengewoon trots moet zijn geweest op zijn, naar hem vernoemde, kleinzoon.
Hadden mijn ouders gehoopt, dat de zaken vooruit zouden gaan in Wolvega, dan hadden zij zich deerlijk daarin vergist.
Tegenover de gerenommeerde kleermakerszaken in dat nogal grote dorp, kon mijn vader geen been aan de grond krijgen. Hij leed bittere armoede en méér dan dat, zij leden met elkaar honger. Ik kan mij dus voorstellen dat mijn komst op deze wereld, niet met blijdschap tegemoet werd gezien. Of heeft toch óók de armste moeder in haar hart een klein beetje vreugde, als ze weer een nieuw leven onder het hart draagt.? Niettegenstaande alle ellende.?
Toen de verdiensten uit bleven, moest er om steun worden aangeklopt, bij de armenvoogdij van de kerk. De “vriendelijke” armenvoogd, een winkelier, snauwde mijn moeder af en gooidi haar over de toonbank een gulden toe, die ze van de grond kon oprapen.
En zo is het te begrijpen, dat er aan mijn wieg geen liefelijke feeën stonden, maar een paar grimmige gestalten, genaamd Honger en Zorgen.!!
Maar de honger kroop verder. Zij kroop bij mijn moeder in het kraambed en toen ik nijdig aan haar lege borsten lag te lurken, viel mijn moeder in zwijm, omdat ze gedurende 24 uur geen eten meer had gehad.
Een eventuele lezer van deze regels zal zich dit nauwelijks kunnen voorstellen, maar in het rijke Nederland, het “steinreiche Holland”, zoals men ons in Duitsland placht te noemen, stierven moeders en kinderen vóór hun tijd aan ondervoeding, omdat het “vette der aarde” zeer ongelijk was verdeeld.
Maar mijn moeder en ik stierven niet en ik groeide, net als onkruid, tegen de verdrukking in.
In Februari 1896 maakte mijn grootvader, Roelof van der Lende, die steeds zonderlinger was geworden, een einde aan zijn leven, door zich in het ondiepe slootje achter zijn huis, te verdrinken.
Onze ouders verhuisden toen weer naar Nijlamer en betrokken daar het ouderlijk huis.
Zij waren nu althans van een zorg ontheven, omdat zij daar geen huur behoefden te betalen.
In dat kleine huise, het laatste aan de weg van Wolvega naar Nijlamer, zowat 100 meter voor de driesprong, beleefde ik mijn kinderjaren, voorlopig nog onbekommerd voor armoede en ontbering.
Van daaruit stamen dan ook mijn eerste herinneringen, waarover echter in een volgend hoofdstuk méér. !!
Mijn moeder stamde uit een turfmakersfamilie.
In dié jaren bestond er nog een drukke veenderij in de Westhoek van Weststellingwerf.
Het werk werd gedaan door de z.g. baggerlui, die twee bij twee werkten, nl. Een spitter en een menger.
De spitter had een lange houten schop, waarmede het veen uit het water moest worden gespit, soms 3 @ 4 meter diep, maar in ieder geval tot de gehele veenlaag weg was.
Het veen werd door de spitter op de wal geworpen in een z.g. baggerbak. De menger deed daar dan water bij en stapte met lange laarzen in de baggerbak en maakte van het hele geval een dike brij.
Deze werd later in een lag van ca. 20 cm op het land gestort, waarbij de zaak door schotten langs de kant bijeen werd gehouden.
Was deze brei na enige tijd wat aangedroogd, dan kwamen de turfmakers in actie. Zij bonden planken onder hun voeten en namen in elke hand een stokje met een plankje eronder. Dan begon de dans over het gebaggerde veen, dat zodoende als brooddeeg werd gekneed.
Waren deze werkzaamheden afgelopen, dan werd met een stok met een dwarslat eraan, waarin op bepaalde afstanden spijkers waren geslagen – een sort hark dus – strepen getrokken. Later werd er dan met een z.g. steekijzer, langs de lijnen die getrokken waren, de turf gestoken, in de lengte en in de breedte.
De zo ontstane blokjes waren dan de turven, die later werden opgebroken en op een bepaalde manier werden gestapeld, totdat ze goed droog waren. In mijn jonge jaren, was dat de enige huisbrand, welke men daar in de buurt kende. Echter óók in de overige delen van het land, werd vroeger veel turf gestookt en de veenderij stond in dié jaren in volle bloei. Vele dorpen hebben aan de veenderij hun ontstaan te danken, hetgeen nog wel aan de naam te horen is.
Voor het transport van de turf moesten vele kanalen aangelegd worden, die óók nu nog bestaan.
Met de veenderij is het echter grotendeels afgelopen en de nakomelingen van de vroegere turfmakers in de veendorpen, zijn meestal veehouders geworden, het hoofdmiddel van bestaan in die contreien.
Het eerste huwelijk van mijn moeder was met een zekere Geert Limburg, eveneens een turfmaker. Beide waren toen nog erg jong, ca. 20 jaar. In 1884 getrouwd, werd hun eerste kind, een dochter op 2 Maart 1885 geboren en genoemd Johanna, naar haar grootmoeder. Ik meen, dat deze Geert Limburg al in 1886 overleed aan de tering, terwijl mijn moeder in verwachting was van haar tweede kind, dat echter na de geboorte stierf.
Tot zover de voorgeschiedenis van mijn moeder voor zover mij bekend, voor zij met mijn vader in aanraking kwam.
De ouders van mijn moeder hebben steeds in de Westhoek van Weststellingwerf gewoond, echter op verschillende plaatsen in verband met hun werk als turfmakers. Er tussen door moeten zij nog korte tijd in Beets hebben gewoond, maar de meeste jaren werden toch in de Westhoek doorgebracht.
Zij kregen, behalve mijn moeder, nog 8 kinderen, waarvan er slechts twee in leven bleven, mijn moeder en oom Geert. Twee stierven er bij een ongeval, één door in een sloot te verdrinken, terwijl de ander, een baby nog, om het leven kwam, doordat een onhandig dienstmeisje het liet vallen, waardoor het zo ongelukkig terecht kwam, dat het de ruggegraat brak.
Mijn grootvader, wiens naam Pieter Meester was, werd geboren op 17 Augustus 1832, als zoon van de 38 jarige en ongehuwde Geertje Meester, welke op 25 Augustus 1831 aan kraamvrouwenkoorts overleed. Het jonge weesje werd opgevoed door een familie Kiers.
Mijn grootmoeder werd op 20. Mei 1826 geboren in Scherpenzeel
De vader heette Albert Schaap en de moeder Hendrikje v.d. Veen. Mijn grootmoeder luisterde naar de naam Johanna.
De geboorte van mijn grootvader, Pieter Meester, vond plaats in het dorpje Rotsterhaule in de gemeente Schoterland.
Wat of de reden is geweest van het feit, dat zijn moeder reeds 38 oud, nog niet getrouwd was en toch een kind ter wereld bracht, daarover heeft niemand mij ooit kunnen inlichten.
Mijn moeder wist niet eens, dat ze reeds 38 jaar oud was, maar meende, dat ze nog maar 18 jaar was. Indien dit juist is, zou het inderdaad een normal geval zijn geweest. Uit het door ons ingestelde onderzoek is echter vast komen te staan, dat Geertje Meester inderdaad 38 jaar oud was toen zij mijn grootvader ter wereld bracht en 8 dagen later overleed. Al met al een tragische figuur in ons voorgeslacht.
Hiermede geloof ik alles te hebben vermeld, wat mij bekend is over de gebeurtenissen betreffende mijn voorouders, welke gebeurtenissen vóór mijn geboorte plaats vonden.
Mijn eerste herinneringen.
Ik ben mij er niet geheel van bewust, welke herinnering uit mijn prille jeugd, welke in mijn geheugen is blijven hangen, de oudste is.
Ik weet nog, dat mijn moeder mij op een morgen uit bed nam en haastig naar buiten bracht voor een kleine boodschap. Verder weet ik nog, dat ik veel last had van wintervoeten en dat Anna van Toon, een buurmeisje, mij daar zakjes met karnemelkse pap op deed.!
Heel levendig kan ik mij nog herinneren, dat ik met mijn vader, die een stukje aardappelland had gehuurd, de z.g. bouw, trachtte te helpen en toen mij dat begon te vervelen, alleen naar huis ging, een afstand van ongeveer 2 Km. Ik was toch wel erg bang en elke 10 minuten riek ik dan ook: “Dag Heit”!.
Ik weet verder nog, dat ik de onderbroek langs de weg liep en het hooi opraapte, dat de hooiwagens verloren hadden. Ik deed dat hooi in een papieren doos, het werd gebruikt als stroo in het schapenkot.
Meestal liep ik met bloothoofd, hetgeen een hooier, die bij een naburige boer werkte, de ontboezeming ontlokte: “Die jongen heeft een kop van ijzer en staal.”! Het was toen niet de gewoonte om blootshoofd te lopen.
Dicht bij ons was een klein winkeltje, gedreven door Johannes Bootsma, of beter gezegd door zijn vrouw, die we Jante noemden.
Johannes zelf ging bij de boeren werken, want zoveel bracht het winkeltje niet op.
Tot de huisgenoten behoorden verder Grietje, de enige dochter en nog een Grietje, ee nichtje van de eerstgenoemde en die kleine Griet genoemd werd, hoewel ze grote was, dan haar nicht, die met grote Griet aangesproken werd.
Deze mensen nu, namen twee jongens in de kost, die iets ouder waren dan ik. Hun moeder was dood en hun vader woonde in Duitsland. De overleden moeder was afkomstig uit ons dorp en een dochter van Sijbren van der Vlugt, welke Dikke Sijbren werd genoemd, een herberg had en tevens brugwachter was.
De jongens heetten Sijbren en Klaas Tolsma. Het waren mijn eerste speelkameraden en omdat ze in Duitsland waren opgegroeid, spraken ze nog veel Duits en zodoende leerde ik ook wat Duits.
Zelf weet ik dat niet zo, maar ik moet op een Kerstfeest in de kerk in Oldelamer gezegd hebben tegen een andere jongen, “hast du” óók al zo’n broodje gekregen en óók: “ik wil wel naar school, “aber” ik ben nog geen 5 jaar.
Ik was nogal een kwaaie rakker en zo deed ik mijn moeder een de haren ten berge rijzen, toen ze mij zag zitten op de dissel van een hooiwagen, die aan een andere wagen was vastgekoppeld en die door twee paarden werd voortgetrokken. ‘t Is merkwaardig, dat zulke kleine gebeurtenissen in onze gedachten blijven hangen. Al deze dingen vonden plaats vóór ik naar school ging.
Ongeveer 5 minuten bij ons huis vandaan, stond destijds een klein huisje, zoals ze daar in die streken veel zijn, bestaande uit een voor- en achterhuis. Het huisje werd bewoond door Kornelis Boltjes, een nogal venijnig kereltje, waar ik het niet erg op begrepen had. Des te beter kon ik echter met zijn vrouw opschieten, een doodgoed stukje mens, dat door ons Aalsje Boltjes genoemd werd. Haar geboortenaam was Aaltje Helden. Hoe ik daar de eerste keer kwam, kan ik mij niet goed meer herinneren, misschien met met mijn broer of zuster, of met mijn moeder.
Ik weet wel, zo vaak ik er langs kwam, ging ik er ook even aan, kwasi dorst voorwendend, en vroeg dan steeds om wat drinken.
Soms, als ik binnen was, gaf ze mij een mop en ging ik drinken uit een grote teerton, waarin het regenwater opgevangen werd.
Het regenwater was niet zo lekker en smaakte bovendien nog sterk naar teer. Echter, op het gebied van drinkwater, waren wij daar in die buurt niet bepaald verwend.
Meestal als ik kwam, had ze ook wel koude koffie staan en dan zei ze tegen mij: “Wal ja, der stiet was kalde kofje”
Als ik binnenkwam, ontvang zij mij steeds met de begroeting: “Pieter werachtig”
Ik bleef daar meestal zo lang, tot ik een boterham kreeg. Het was steeds tarwebrood en ik had permanent honger, want thuis was schraalhans keukenmeester.
Aaltje zal dat wel goed begrepen hebben. Als ik een boodschap voor haar deed, kreeg ik steeds één of twee centen.
Ik heb daar in dat huisje vele uren doorgebracht, maar slechts dan alleen, als ze alleen thuis was. Waren haar zoon of man thuis, dan bleef ik er angstvallig weg. Ik kan mij nog goed herinneren, hoe het huisje er van binnen uitzag.
Het achterhuis werd door de schapen en de geiten bewoond en een klein portaaltje scheidde het achterhuis van het voorhuis. De voorgevel stond naar het West gekeerd, daar waren twee vensters en aan de rechterkant, op het Noorden, was een klein venster, waardoor men ons huis kon zien. liggen.
Boven dat kleine venster, hing een portret van de Duitse Keizer Wilhelm II en zijn gemalin Augusta-Victoria. Ik keek steeds met de grootste bewondering naar de mooie uniform van de Keizer en zijn vele medailles.
Het portret zal zeker meegebracht zijn door haar zoon Dirk, die als melkknecht in Duitsland had gewerkt. Oók was hij remplaçant geweest, dat wil zeggen, hij had voor een ander de militaire dienst waargenomen. Dat kon nog in die tijd en de beloning bedroeg ca. Fl. 400.- voor de gehele diensttijd, destijds een mooi bedrag.
Dirk had zijn centen goed bij elkaar gehouden, want later kocht hij een stuk land, een zandhoogte, waarop toen bouwland was. Het zand werd later verkocht aan de boeren, die het voor allerlei doeleinden nodig hadden à Fl. 0.10 per voer, d.w.z. een wagen vol.
Zodoende werd tenslotte de gehele zandhoogte afgegraven en werd er weer bouw- en later grassland van gemaakt. In het kamertje hing óók een portret van de zoon Dirk als mililtair.
Onder de oude klok, hing de christelijke scheurkalender “De Olijftak”, waarvan ik de blaadjes steeds aan Aaltje moest voorlezen, omdat ze zelf de lees- en schrijfkunst niet machtig was. Was ik een paar dagen niet geweest, dan lagen de blaadjes klaar.
Onder de scheurkalender hing een schilderij, waarop het oudje zeer trots was, nl: “Gedachtenis aan den ure der Beleidenis van Aaltje Helden, aangenomen als lidmaat der Nederlands Hervormde Kerk, den ….. 1886 en bevestigd …. 1886 te Wolvega door Ds. Blanson Henckemans.”
Voor dat schilderij, of liever die prent, heb ik vaak gestaan en wel vanaf de tijd, dat ik de eerste letters had geleerd, totdat ik vlot kon lezen en de hele plaat kon ontcijferen.
Het kleine huisje aan de weg, was óók een welkome rustplaats, voor al dié mensen, die met negotie liepen, maar slechts dan, als zij alleen thuis was. Overdag was dat meestal het geval, want Kornelis en Dirk gingen op de daghuur. Die twee waren echter lang niet zo gastvrij als Aaltje.
Aalsje vergat wel eens, dat ik nog maar een kleine jongen was en besprak met mij haar moeilijkheden, die ze had met haar man en die haar te weinig geld gaf, omdat hij zelf nogal veel voor jenever nodig had. Soms nam hij een flesje mee naar bed en als hij meende, dat Aaltje sliep, nu en dan de fles eens aansprak. “En dan doch ik krek, als of ik sliep, maar ik sliep, maar ik sliep net en dan gaat het maar van kloek, kloek, kloek,” daarmede de drinkgeluiden nabootsend van Kornelis.
Kornelis had ook een geweer aan de balk hangen, maar een jager was hij toch niet. Zijn zoon Dirk is wel enkele jaren broodjager geweest, maar de wilde eenden en watersnippen waren hem te vlug af en hij raakte niet veel.
De zaken gingen in zover vooruit, dat de teerton later werd vervangen door een betonnen regenbak, die in de grond geplaatst was, die meer water kon bevatten en waarin het water fris bleef en óók ‘s-winters niet bevroor. De eigenaar van het huisje betaalde natuurlijk de hele geschiedenis. Het water bleef echter evengoed vuil als in de ton.
Dirk kwam onder de invloed van de Apostolische Gemeente en werd een trouw volgeling.
Deze zorgde er ook voor, dat hij een vrouw kreeg, die ze ergens voor hem in het Drentse opscharrelden.
Het was een wees, een jonge struise vrouw en niet onknap, ongeveer 21 jaar oud. Hoe dit jonge meisje er toe kwam, om zulk een reeds bejaarde zuurpruim als Dirk te trouwen, is mij nog steeds een raadsel.
De Apostolische Geloofsgemeenschap moet wel veel invloed op haar aanhangers hebben. Misschien hebben óók de centen van Dirk en het nieuwe huisje, dat hij op zijn land liet bouwen, wel een rol gespeeld.
Dirk had ook een koe en Trijntje Klaren uit Ruinewold, kon niet melken. Aaltje nu, zou haar wel even de techniek van het melken bijbrengen.
Dit ging echter niet zonder strubbelingen en de verhouding tussen schoonmoeder en schoondochter was dan ook niet zo erg goed. Oók die dingen besprak Aaltje met mij; ik was toen ongeveer een jaar of tien.
Dirk en Trijntje kregen nogal veel kinderen. Bij de geboorte van de eerste, heeft mijn moeder nog hulp verleend, gedurende de eerste tien dagen.
Aaltje stierf aan de gevolgen van een beroerte in de maand Mei of Juni van het jaar 1911, maar hoewel dat nu méér dan 40 jaar geleden is, ben ik nooit het gevoel van dankbaarheid tegenover haar kwijtgeraakt, voor de vriendelijkheid en de vele boterhammen, die zij mij heeft gegeven.
Aaltje en Kornelis hadden nog meer kinderen, die ik echter nooit heb gekend. Eén van hen wilde zijn moeders deel hebben en liet het schamele boeltje in een publieke verkoping verkopen.
Een bewoner van ons dorp Nijelamer, Barteld Hoekstra, deed vóór de verkoop, aan de adspirant kopers het voorstel om niet te bieden op die dingen, die Kornelis wilde kopen. Zo behoefde Kornelis maar een dubbeltje te bieden voor een artikel, dat hij wilde hebben. Iedereen hield verder zijn mond en zodoende kreeg Kornelis de gehele inboedel voor nog geen tientje weer in zijn bezit en kreeg de inhalige zoon of schoonzoon niet meer dan ongeveer een rijksdaalder te erven.
Voor de notaries was het een slechte dag, maar het was wel een fraai staaltje van solidariteit, dat zich daar afspeelde. Veel heb ik na de dood van Aaltje van de familie Boltjes niet meer gehoord.
Dirk bleef wel in het dorp wonen en woont daar óók nu nog. Trijntje takelde door haar huwelijk al spoedig af en ik geloof niet, dat ze een al te gelukkig leven heeft gehad.
Na de dood van Aaltje ging Kornelis bij Dirk inwonen. Hoe lang weet ik niet, maar op zekere dag maakte hij door ophanging een einde aan zijn leven.
Op den 1ste April van het jaar 1901 moest ik voor het eerst naar school.
Ik kan mij nog heel goed mijn eerste schooldag herinneren. Onder de hoede van mijn broer Roelof en mijn zuster Grietje, moest ik naar de “School met den Bijbel” aan de Kerkstraat te Wolvega, ongeveer 4½ Km lopen.
Het was niet zo zeer, dat vader Christelijk onderwijs voor ons wilde hebben, dat wij niet naar de Openbare school te Nijlamer gingen, welke slechts 2 Km van ons huis was verwijderd, maar Roelof, die eerst naar school in Nijlamer was gegaan, werd daar door andere grote jongens steeds geplaagd. Zodoende had mijn vader hem van de school te Nijlamer afgenomen en naar de Christelijke school in Wolvega gestuurd.
Wij waren niet de enigen die de verre scholweg moeste afleggen. De zoon van de Oldeboornster dominee, moest een kwartier verder lopen, evenals de kinderen van een Gereformeerde boer uit Oldelamer, Egbert Dijkstra, die óók twee of drie kinderen in Wolvega op school had.
Tenslotte woonde er aan de polderdijk in Oldelamer iemand, die Nanne Bijker heette. De kinderen daarvan moesten nog drie kwartier verder lopen, dan wij.
Roelof was geen persoon, die zichzelf goed kon weren en daardoor werd hij óók al op de school in Wolvega, het mikpunt van allerlei plagerijen. Ikzelf had daar minder last van, omdat ik wat kordater en zelfstandiger was. Al op de tweede schooldag, onttrok ik mij aan de bescherming van mijn broer en zuster en ging alleen mijn weg naar school.
In de zomer was het niet zo erg, deze lange schoolweg; in de winter was het een ware lijdensweg.
De weg was ca. 2 meter breed en de verharding bestond uit basaltbeslag en kleimodder. Stoomwalsen werden daar niet gebruikt. De wegwerkers strooiden de basalt en de klei door elkaar en de boeren moesten het maar vastrijden met hun voertuigen.
Na veel regen was het een ware modderpoel, maar nog erger was het, als er sneeuw lag. Deze bakte zich aan onze klompen vast en wij konden bijna niet vooruit komen. Daardoor kwam natuurlijk veel schoolverzuim voor. Bovendien werd ik, toen ik in de tweede klas zat, ziek. Ik had last van klieren en moest in de winter lange tijd de school verzuimen. De onvoldoende voeding in die tijd zal daar wel debet aan zijn geweest.
Ik kan mij nog herinneren, dat ik met mijn voeten in de oven lag en niets anders deed, dan lezen.
Algoewel ik toch wel een goede leerling was, bleef ik, door het vele verzuim, in de tweede klas zitten en moest ik deze klas nog een keer overdoen, waardoor ik natuurlijk nogal gemakkelijk leerde.
Ik had op school nogal was kameraden, maar daar is in later jaren geen verbinding meer mede onderhouden.
Met jaap en Klaas Snijder ging ik meestal op en neer naar school; dan was er nog een Hendrik Postuma, waar ik óók veel mee omging en een zekere Loeke van der Laan. Hendrik Postuma woont nu in Nijlamer, maar van de anderen weet ik de verblijfplaats niet.
Wij namen boterhammen mee naar school en als we die op hadden, gingen wij in de middag-pauze in Wolvega omhangen, kijken naar de winkels, naar al die lekkernijen, of we zochten beukennootjes onder de “oude Beuk” van het landgoed Lindenoord. (Dit is nu een bejaardenoord.! EH).
Dit landgoed werd destijds bewoond door de familie Sickinga, maar was eerder de woonplaats van Onno Zwier van Haren, Grietman van Stellingwerf en bovendien dichter. Daarvan wisten wij destijds echter nog niets af.!
(Voor het geode begrip, een grietman was een sort landedelman. Oorspronkelijk bestond Friesland immers uit 11 steden en 30 grietenijen. ! EH)
Woensdag was het markt in Wolvega en namen wij daar een kijkje.
De marktterrein was toen bij het gemeentehuis. Daar stonden de kramen van de marktlui, velen uit Wolvega, maar óók uit andere plaatsen.
Vaak was daar óók een z.g. Marktbokser, die met veel kabaal bijv een gouden ketting verkocht voor een kwartje. Natuurlijk was dat geen goud, maar waardeloze rommel, maar toch lieten de boeren, burgers en buitenlui zich beetnemen en zodoende verkochten zij nog vrij veel.
Er was óók een z.g. boterwaag. Daar werd de boter gewogen en gekeurd, van dié boeren, die zelf nog boter maakten. Dat gebruik begon echter al te verdwijen; de boterfabrieken, die de boeren het werk uit handen namen, waren toen sterk in opkomst.
Wij bleven wel eens een hele middag rondslenteren en gingen spijbelen, maar het Hoofd der school, de Heer Ter borg, een echter schoolvos van de oude stempel, met hoge witte boord en gouden bril, liet zich niet zo maar beetnemen en wilde een verklaring van vader hebben, waarom wij niet naar school waren geweest. Wij konden dat natuurlijk niet aan hem vragen, omdat het dan was uitgekomen. Daarom vroeg mijn broer bij Aaltje, pen inkt en papier en schreef zelf een briefje, dat ons van straf zou vrijwaren. Natuurlijk kwam dat uit, want meester Ter Borg kende zowel het handschrift van mijn vader als dat van Roelof en wilde weten, wie het briefje geschreven had.
Dat heeft mijn moeder gedaan, zie Roelof die pienter wilde zijn. Zo, zei de meester, dat lijkt het handschrift van je moeder verbazend veel op dat van jou. Voorlopig bleef het bij deze opmerking, maar meester Ter Borg kwam vader opzoeken en toen barstte natuurlijk de bom. Roelof werd op het matje geroepen en mijn vader sprak tegen hem over ‘valsheid in geschrifte” en of Roelof wel wist, wat voor straf daarop stond.
Nu, dat wist Roelof natuurlijk niet, maar hij vond het toch maar beangstigend.
Of vader Roelof hiermede nu bang wilde maken, of tegenover meester Ter Borg blijk wilde geven van zijn “wetskennis”, laat ik in het midden, maar ik weet wel, dat het gehele geval nogal met een sisser afliep.
Den 6. Februari 1898 werd mijn broer Geert geboren. Daar weet ik niets meer van, maar den 24. Februari 1902 kan ik mij nog goed herinneren, dat was de geboortedag van mijn jongste broer Albert Jan. Aan de oostkant van ons huis, ervan gescheiden door een sloot, stond nog een woning, welke bewoond werd door ene Toon Osterkamp en Hendrikje Brouwer, zijn huisvrouw. Zij hadden twee dochters, Anna en Dirkje, maar die waren toen al de deur uit, ergens in een betrekking voor dag en nacht.
Ik werd naar de buurvrouw gestuurd met de boodschap, of ze even bij moeder wilde komen.
Zo, dan is het zover, zei ze, maar daar begreep ik toen nog niets van. Samen met mijn broer Geerd werd ik de deur uitgestuurd en toen wij later weer binnen mochte, hadden wij de nieuwe broer al in de wieg liggen.
Akke Stroop was de baker, dat weet ik nog heel goed. Zij woonde óók in het dorp en haar kinderen ginen bij ons op school.
Na 14 dagen was er dan nog zo iets als kraamvisite. De buren uit de omtrek werden dan uitgenodigd. Ik bedoel natuurlijk alléén de buurvrouwen, die dan de gelukkige (!?) ouders feliciteerden, een kopje thee drunken, de baker een fooitje gaven en soms eveneens stekelige opmerkingen maakten, over de vermeerdering van het gezin en dat het nu maar en suit moest wezen. !!
De jong geborene werd op de eerste tijd gewikkeld in de pak als een baal stroo, later kreeg de jongen of het meisje rokken aan en bleef hij/zij daarmede lopen, totdat zij schoon waren. De jongens kregen daarna de broek aan, maar waren dan meestal al bijna 3 jaar oud.
Ik kan mij nog goed herinneren, dat ik in kleine ketelkoekzakjes zand haalde voor moeder en buurvrouw Hendrikje, of zoals wij steeds zeiden, Hendrikje van Toon.
Het zand haalde ik in de zandkuil van Dirk Boltjes. Ik bond de twee zakjes aan elkaar en droeg ze dan zo over de schouder.
Het zand gebruikten de vrouwen om de straat te dweilen, of óók wel voor de plavuizen in het achterhuis.
Ik kreeg voor twee van zulke zakjes 1 cent en dat was duur genoeg, want het was nog geen schop vol.
Ketelkoekzakjes zijn maar klein. Ketelkoek is een meelspijs. Er wordt beslag gemaakt van meel en melk (of water), dit beslag of dunne deeg wordt in zakjes gedaan, goed dichtgebonden en dan in water gekookt.
In die tijd werden er in het voor jaar niet veel aardappelen gegeten, die waren meestal op en Mei of April. Tussen de oude en nieuwe aardappelen werd dan veel meelkost, gort of erwten en bonen gegeten. Of dat nu nog gedaan wordt, geloof ik niet meer, wel weet ik, dat als ik in later jaren eens thuis kwam, ik ooit geen ketelkoek meer heb gegeten. Overigens deed ik dat zanddragen, toen ik nog niet naar school ging.
Bij ons in huis woonde óók nog een aangetrouwde neef van Vader, die Jan van der Lende tot naam had, of beter Jan Pieters van der Lende. Hij werd echter steeds genoemd “Stille Jan” of “Jan de Visker”. Wij noemde hem echter steevast “Grote Jan”.
Dat “Stille Jan”, had hij te danken aan het feit, dat hij niet veel sprak en dan nog steeds op een wat stille en verlegen manier, net of hij bang was voor zijn eigen stem.
Omdat hij óók broodvisser was, noemde men hem “Jan de Visker”.
Waarom wij hem “Grote Jan” noemden, week ik niet, maar omdat hij 14 jaar ouder was, dan mijn vader, zal hij vroeger wel “Grote Jan” zijn genoemd, in tegenstelling tot mijn vadder, die toen de kleinste was. Van de ouder van “Grote Jan” weet ik hoegenaamd niets. Zijn vader, Pieter van der Lende, was een broer van mijn grootvader, Roelof van der Lende. Er moeten daar nog meer broers en zusters geweest zijn, maar daar weet ik niet veel van.
Eén zuster, Hiske, was getrouwd met een Wiebren Oosterhof, maar die heb ik nooit gekend. Dan moet er nog een broer Minne geweest zijn, waarover wondere verhalen de ronde deden, zoals zijn grote eetlust en geweldige lichamelijke kracht. Gekend heb ik die oude oom ook niet, maar “Grote Jan” vertelde meermalen, dat toen een paard niet bij machte was, een wagen hooi uit de modder weg te trekken, hij het paard liet afspannen en zelf de wagen met hooi uit de modder trok.
Mijn broer Roelof ging echter nogal vaak op bezoek bij Wiebren Oosterhof en Hiskienmeu. Men leerde hem daar roken en gaf hem vaak eens een pijp mee, hetgeen niet tot Roelof’s voordeel strekte, want hij werd later een hartstochtelijk roker en heeft het grootste gedeelte van zijn leven met zijn borst gesukkeld.
“Jan de Visker” had nog twee broers, Roelof, die timmerman was en een nogal intelligent persoon, en Thomas, een klompenmaker. Beiden heb ik nauwelijks gekend.
“Grote Jan” was een zonderling, maar toch óók wel een goed persoon en op zijn manier hield hij veel van ons, vooral van mij.
Hoewel ongeletterd, was hij zeer handig en maakte voor ons mooie molentjes en ander speelgoed. De bootjes, welke hij voor het vissen nodig had, maakte hij steeds zelf, hetgeen, gezien zijn primitieve gereedschap een hele prestatie genoemd mag worden.
Hij bracht brandhoud mee voor moeder en knapte voor vader veel karweitjes op, welke deze, gezien zijn lichaamsgebrek, niet goed kon doen. Dikwijls bracht hij óók een maaltje vis mede, maar voor al deze vriendelijkheden, ontving hij weinig dank. Toen wij nog klein waren, was mijn moeder niet erg vriendelijk voor hem en de verstandhouding was verre van goed.
Ik had toen reeds en heb nu nog het gevoel, dat mijn moeder hem onrecht deed. Het mankeerde mijn moeder aan begrip voor zijn eigenvaardigheden.
Mijn vader zal dat misschien wél gehad hebben, daarvoor was hij ontwikkeld genoeg, maar óók deze had, in verhouding tot zijn overige ontwikkeling, een ontstellend gebrek aan mensenkennis; hij was echter ook niet de juiste persoon, om mijn moeder tegen te spreken.
Ik kan dan ook niet zeggen, dat “Grote Jan” een mooi leven had bij ons. Slecht en schraal eten en een meestal onvriendelijke behandeling, als mijn moeder geen goede zin had. Hij betaalde slechts drie gulden kostgeld per week en dat was niet veel, maar voor hem een voornaam ding, want hij was erg op de penning en misschien, wie zal het zeggen, heeft hij die onvriendelijke behandeling niet zo erg gevoeld.
Mijn moeder was trouwens niet altijd onvriendelijk tegen hem. Dat mijn moeder niet altijd even lief was, was ook geen wonder. Het was altijd armoede en honger en ze moesten zoveel ontberen.!
“Grote Jan” was óók een z.g. watermolenaar, d.w.z. hij droeg en zorg voor, dat de polder droog bleef. De boeren, die land in de polder hadden, moesten hem daarvoor gezamenlijk betalen en hij kreeg daarvoor in die tijd Fl. 50.- per jaar.
In de molen had hij zijn fuiken hangen, bewaarde hij zijn gereedschap en had hij ook zijn bootjes liggen. De molen was in zekere zin zijn heiligdom.
Ik ging dikwijls met hem mee naar de molen, klom boven in de kop als daar gesmeerd moest worden, of zat soms uren op de trap van de molen naar het spel van schroef, water en raderen te kijken.
Het water in de polder stroomde door de sloten naar een kolk, waarin de schroef van de molen lag. Als de schroef door de kracht van de wind begon te draaien, werd het water tegen een klap gedrukt, die door de kracht van het water openging en zo het water doorliet naar het zogenaamde boezemland, of zoals ze daar zeiden, buitenland. Stond de molen stil, dan drukte de hogere stand van het boezemwater de klap weer dicht. Het boezemland stond gedurende de gehele winter meestal geheel onder water en kon alleen in de zomer gebruikt worden, om er hooi te winnen, of soms ook om er vee, vooral jongvee te weiden, nadat er gehooid was.
In de winter en vooral in de maanden Februari en Maart, als het veel had geregend en de Zuidwesten of Westenwind het boezemwater opstuwde, dan spatte het water soms over de polderdijken en leefden de bewoners in de polder in angst en vrees, dat de dijken zouden bezwijken en de polder onder water zou lopen. Dan werden de mannen er soms des nachts nog uitgeklopt, om de dijken te helpen versterken.
In 1916 is het gebeurd, dat de polderdijken het daar in Nijlamer niet konden houden. Het water drong de woningen en de stallen in de polder binnen en de mensen en het vee moesten naar hoger gelegen plaatsen.
Dit was dan ook de laatste keer. In 1920 werd in Tacozijl een groot stoomgemaal in werking gesteld, dat in staat was het boezemwater op peil te houden door het in zeer te pompen.
Daardoor werd het ook mogelijk, de dijker direct tot aan de rivier de Tjonger toe te leggen. Al het boezemland in de gemeente Weststellingwerf is nu verdwenen, de eindeloze vlakten, die in de winter onder water stonden, zijn nu in goede graslanden herschapen en waar eens het water stond, daar staan nu nieuwe boerderijen, omgeven door hoog opschietende populieren.
Maar in onze jonge jaren, dachten wij niet aan wat eens zou kunnen komen. Er was nu eenmaal polderland en boezemland en dat stond in de winter onder water. In het voorjaar, als het water begon te zakken en het land langzaam aan droog werd, waren daar óók direct de watervogels en ook andere vogels, die zich gaarne in waterland ophouden. Soms streken er wel een paar honderd wilde ganzen neer op land, dat pas boven water kwam en maakten daar een hels kabaal. Zij waren echter toch zo ver van de weg af, dat zij niet onder schot konden worden genomen met een gewoon jachtgeweer.
Naarmate het voorjaar voorschreedt, kwamen kievitten, gruto’s e.d. hun eieren leggen en broeden
Daarna kwamen die planten tot bloei, die alleen in dat waterland wilde bloeien het vervulden de lucht met hun typisch aroma.
Het kon soms erg mooi zijn in die streken in het voorjaar.
“Grote Jan” heeft zijn gehele leven daar in dat land doorgebracht. Hij voelde zich daar in zijn element en kon zich geen andere wereld voorstellen. Des winters, dan zette hij vaak een zelfgemaakte bunzingval op met een vis als lokaas en niet zelden ving hij zo’n pelsdier.
De huis spande hij dan op een plankje en hing dat bij de schoorsteen te drogen. Ook nam hij de huid wel in zijn hand en zat er dan soms urenlang over te strijken, waarmede hij mijn moeder tot wanhoop bracht, omdat die door dat gestrijk geïrriteerd raakte.
Soms zat hij ook urenlang voor het venster naar buiten te loeren, in zichzelf mompelend: “pest, rest Noordenwind, pest, rest”. Bij Noorden wind is het namelijk niet goed om vis te vangen.
Ging hij echter naar een jaarmarkt in Heerenveen of Steenwijk, dan bracht hij voor ons steeds vijgen mee, of ook wel eens apennoten (pinda’s).
Hij deed dan soms wat eigenaardig, haalde de zak met vijgen te voorschijn, stopte hem weer weg en dit zo enige keren achter elkaar, totdat hij er eindelijk toe overging te vijgen te verdelen.
Jan was ook een gezonde eter en dat was eigenlijk geen wonder bij de slappe kost in ons huis. Het was, behalve in het voorjaar, tweemaal per dag warm eten, ‘s-middags aardappelen en ‘s-avonds aardappelen en meestal brij.
De aardappelen werden op een grote Keulse schotel gestapeld en daar boven op kwam een schoteltje met vet, zout en peper te staan.
Iedereen prikte een aardappel aan de vork en stipte die in het vet en naar behoefte in het zout of de peper. Daar we allemaal even hongerig waren, was het meestal vechten om de laatste aardappel, waarmede “Grote Jan” dan dapper meedeed.
Soms mengde mijn moeder het vet voor de helft met aardappelwater, want óók vet was duur en derhalve bij ons schaars. Waren er groenten, dan kregen wij elk een portie op ons bord.
Als ik eraan terugdenk, waren de winteravonden wel gezellig bij ons. De tafel midden in de kamer, met daarboven de petroleumlamp hanglamp, vlak ervoor de kachel, die met turf werd gestookt en daarvoor dan nog een kookkachel, maar niet altijd.
“Grote Jan” zat dan meestal in zijn hoek fuiken te breien, ook wel knopen genoemd. Hij was daar verbazend handig in.
Vader las meestal een boek voor. Boeken konden wij lenen in de bibliotheek van Wolvega in het gebouw “Irene”, of in de bibliotheek van de Nijlamerschool.
Wij luisterdan altijd steeds met aandacht naar de romans van Mr. Jacob van Lennep, de boeken van Jules Verne, e.a. Kapitein Mariath en zoveel andere schrijvers, die nu reeds lang vergeten zijn.
Vader was niet erg kieskeurig in zijn lectuur ten opzichte van ons.
Hij las ons even goed voor uit het boek van J. Stomperius “De ezel van den bakker” als uit “Europees Slavenleven” van Macländer.
Ons oude huis begon al wat bouwvallig te worden. De vloeren waren niet meer zo erg dicht en vertoonden in de hoeken gaten, waardoor de muizen naar binnen konden komen vanonder de vloer. De zolder was slechts zo hoog, dat een persoon zich bukken moest om zich niet aan de dakbalken te stoten en ook de zolderplanken waren vermolmd. Wij mochten daarom niet op de zolder komen, omdat moeder bang was, dat wij er doorheen zouden trappen.
Aan de muur hing een Friese klok, die afstamde van mijn grootouders van vaders kant. Hij liep niet al te best en werd daarom later gaarne vervangen door een heel wat betere van mijn moeders ouders. Maar toen was ik al niet meer thuis. Het is diezelfde klok, die nu nog dienst doet bij onze oudste zoon, Jan. Er hing ook nog een oude verweerde Spiegel, een paar portretten en dan waren er een stuk of wat biezen stoelen, een tafeltje met enige portretten en een kastje. Dat was zowat het gehele meubilair.
Ik kan mij herinneren, dat op een avond in de winter, toen de muizenplaag wel heel erg was, mijn vader, die op de vloer zat, met de hand een muis doodsloeg.
De kervoogdij te Nijlamer, die óók in het bezit was van boerenplaatsen (thans zelfs 3 stuks) had eveneens ons huisje gekocht, op voor mijn vader welzeer voordelige voorwaarden.
Mijn vadder – en indien overleden – óók mijn moeder, mochten er levenslang vrij wonen, terwijl het onderhoud volledig voor rekening van de kerkvoogdij kwam. Bovendien ontvingen mijn ouders levenslang een bedrag van FL. 1250.- per jaar, terwijl bij de verkoop aan hen, een bedrag ineens van FL 125.- werd betaald.
Deze voorwaarden waren, zeker voor mijn ouders, gunstig, omdat zij nooit in staat zouden zijn geweest, om het oude huis in een bewoonbare staat te houden.
Op deze wijze hadden zij levenslang geen zorg meer voor het betalen van huur, welke in dié streken, voor een dergelijke woning zo’n Fl. 50.- per jaar bedroeg.
Dit bedrag lijkt tamelijk onbeduidend, maar in die tijd was het voor een arbeider een hele som.
Ene Hendrik Hoogkamp was, behalve boer, óók nog timmerman en herbergier. De karweitjes voor de Kerkvoogdij werden door hem opgeknapt en zo kwam één van zijn knechten, of één van zijn beide zoons, Hans of Roelof – een derde zoon van Lubbertus en een vriend van vader, was toen reeds overleden – bij ons en verrichtten de noodzakelijke herstellingen aan ons oude huis. Zo werden ook de gaten in de vloer weer eens gedicht en kregen de muizen het weer moeilijker.
Op zekere dag hadden wij ook al geen kookkachel meer. Of deze defect was geraakt, of vanwege de armoede verkocht, weet ik niet meer, maar in elk geval werd toen weer het oude system gevolgd, d.w.z. in een grote ijzeren pot werd een vuur gestookt van hout en turf. De rook trok door de wijde gebouw naar buiten. In de schouw hing een ketting, het zogenaamde “haal” waaraan potten en ketels zo hoog als men dat wilde konden worden opgehangen.
Ten opzichte van de hedendaagse gas,- electro,- of kolenfornuizen, was dit wel een zeer primitieve wijze van koken en ook in mijn prille jeugd was dit reeds uit de mode, maar wij gebruikten deze toen, zij het niet al te lang.
Het gebeurde op een keer, dat het hete hangijzer, dat was een instrument, dat aan de ketting in de schouw kon worden opgehangen, om er een koekepan op te zetten, door mijn moeder aan de kant was gezet en dat mijn jongere broer Geert er met zijn blote bibs op ging zitten en zich lelijk verbrandde. Als remedie ertegen, gebruikte men paardemest, opgelost in water.
Soms luisterden wij ook naar de verhalen van de ouders uit het verre verleden en die zij weer van hún ouders of grootouders hadden gehoord. Vader vertelde nogal eens over zijn grootvader, Jan van der Lende, die in 1831 de tiendaagse veldtocht tegen België nog had meegemaakt.
Moeder vertelde over haar grootmoeder, die van haar meisjesnaam Hendrikje van Veen heette. Ze moet als jonge dienstmeid bij een boer hebben gewoond. Toen ze op een avond alleen thuis was, zo tegen schemerdonker, hoorde ze opens voetstappen in de gang bij de koestal, het z.g. Bûthûs.
De voetstappen gingen verder, de deuren van karnhoek en voorkamer gingen open, er werd een stoel bij het vuur geschoven, iemand ging zitten en zuchtte enkele malen diep. Daarna werd de stoel weer op haar plaats geschoven, voetstappen werden weer gehoord door de kamer de karnhoek en de gang, maar gezien werd er niets.
Al met al een zeer spookachtig verhaal, dat door mijn overgrootmoeder werd verteld. Of het waar is.!?
Ik geloof niet, dat ze opzettelijk gelogen zal hebben.
Misschien heeft ze, doordat ze alleen in dat grote huis was, tussen licht en donker, zich verbeeld dingen te horen, die er in werkelijkheid niet waren. Misschien is het zo, dat hypergevoelige mensen dingen zien en horen, die mindergevoelige mensen, dus normale mensen, niet kunnen waarnemen. Wie zal het zeggen.!
Wel weet ik, dat dit verhaal niet op zichzelf staat. Mijn eigen vrouw heeft mij vaak verteld, dat zij in Duitsland op een kamer geslapen heeft, waar zij elke avond iemand hoorde aankomen, die op haar bed ging zitten en zich na een poosje weer sloffend verwijderde. De andere huisgenoten, die daarvoor special wakker bleven, zagen of hoorden niets. Een analog verhaal dus. Volgens de eigenaar van dat huis, zou zich in diezelfde kamer eens iemand hebben verhangen. !?
Wat het verhaal van mijn overgrootmoeder betreft, daar zou in de winter daarna een knecht van die boer door het ijs zijn gezakt en verdronken. Het stoffelijk overschot werd langs dezelfde weg gedragen, als de spookachtige voetstappen hadden genomen. Bij het vuur was het lijk van zijn kleding ontdaan.
De geheimzinnige voetstappen zouden dus een aanduiding zijn geweest voor een later gebeuren.
Wij geloofden destijds deze verhalen grif en waren soms nog te bang, om in het donker naar buiten te gaan.
Mijn vader zong soms ook nog al eens, zoals: Waarheen Pelgrim, waarheen gaat gij”, en: Veertig eeuwen van te voren”. Verder nog: “Ik leef hoog op de Alpen”.
Erg uitgebreid was zijn repertoire niet. Mijn moeder zong niet veel, maar soms neuriede ze toch wel eens: “Kent gij dat Volk, vol heldenmoed”
Dit liedje was erg populair tijdens de Engels-Transvaalse oorlog, waarvoor men zich in Nederland erg interesseerde. De sympathie was aan de kant van de Boeren in Zuid-Afrika. Verder placht zij nog wel eens te zingen: “Decie, Decie, ga je naar Lombok toe”.
Dit liedje had betrekking op de expeditie in Nederlands-Indië tegen de Radjah van Lombok. Oók haar repertoire was niet erg groot. Grote Jan heb ik nooit horen zingen.
Meestal werden echter de avonden gekort met voorlezen. Wij kregen ook vaak Friese boeken, geschreven door de Gebrs. Halbertsma, Waling Dijkstra en en andere Friese schrijvers. Die oude Friese verhalen vond ik altijd erg mooi.
Als men van ons huis uit een honderd meter Noordwaarts ging, bereikte men het einde van Heerenweg, zoals die weg genoemd werd. Ging men nog verder recht door, dan moest men een veldweg over een polderdijk voor lief nemen.
Veel was er die kant uit niet te beleven. Men bevond zich dan in de polder van mijnheer Sickenga, een z.g. zomerpoler, die in de winter gedeeltelijk onder water liep.
Als men 3 Km de polderdijk opliep, kwam men aan een grote poldermolen, waarbij een klein huisje stond, bewoond door Geert Gooier en zijn vrouw Geeske. Hun kinderen waren al groot en het waren toen al oude mensen.
Een honderd meter verder stond een boerderij, waarin een zetboer van mijnheer Sickenga woonde. Gooier deed, behalve de molen bedienen, óók vissen, net als Grote Jan.
Sickenga, een notable persoon uit Wolvega, gebruikte de polder ook voor de jacht op waterwild.
Toen Sickenga omstreeks 1906 overleed, heeft de weduwe de polder nog enige jaren in bezit gehad en verhuurd, maar later werd de polder, met alles wat erin stond verkocht aan een zekere Boelstra, die er nieuwe boerderijen in bouwde, de molen afbrak en door een stoomgemaal verving en het land verbeterde.
Op het einde van de Heerenweg kon men echter óók links of rechts afslaan. Rechts was een straatweg en links een grindweg, die naar Oldelamer leidde en verder naar de z.g. Westhoek en naar Lemmer, volgens de handwijzer van de A.N.W.B. zo’n 20 Km.
Direct om de hoek, lag de reeds genoemde boerderij, timmerzaak en herberg van Hoogkamp, toen de oude Heer en diens vrouw overleden waren, voortgezet door de zoons.
Zoals voor alle herbergen in die tijd, stond er een houten leuning voor het front van het huis, alsmede enkele kribben, waaruit de paarden konden vreten, als de voerman zich binnen verfrisschte. Die leuning diende, om de paarden aan vast te binden.
Naast de herberg woonde Johannes Bootsma, óók reeds genoemd. Hij overleed in 1902 en ik heb hem maar nauwelijks gekend. Jan vrouw Jante, welke nog leefde tot 1908 of 1909, dreef een tamelijk armzalig winkeltje, waar ze dikwijls neen (we hebben het niet) moest verkopen.
Toch bezat het winkelte een magische aantrekkingskracht voor ons, om de lekkere “suikerdingen” die Jante had. Jante kon niet lezen of schrijven, maar ze telde als volgt. Ze maakte voor elke cent een streep en voor elke dubbeltje een 0 met krijt op de toonbank en zo kwam ze toch niets te kort.
In later jaren werd de winkel opgeheven. De schoonzoon voelde meer voor de boerderij en heeft zich ook inderdaad van arbeider tot kleinboer opgewerkt.
Tegenover het winkeltje stond een oude boerderij met een windwijzer, waarop de letters (R)oelof en (K)eizer stonden.
De schuur werd later afgebroken en het woonhuis als arbeiderswoning verhuurd en destijds bewoond door Louw Lenstra. Met die familie heb ik nooit veel van doen gehad. Hij werd óók wel Louw Kikkert genoemd.
Enkele schreden verder werd omstreeks 1905 een nieuwe boerderij annex timmerwinkel gebouwd door de zoon van Hoogkamp, toen die ging trouwen.
Roelof en Aaltsje hebben daar jarenlang gewoond, tot ze gingen rentenieren en hun dochter de boerderij zou overnemen.
Roelof en Aaltsje bouwden zich een nieuw huis op de plaats waar Louw Kikkert eens het oude huis bewoonde en leefden daar ook nog vele jaren.
Roelof Hoogkamp had er ook nog een timmerwerkplaats bij gebouwd en tevens was hij administrerend kerkvoogd en had uit dien hoofde nogal wat met de oude lui te doen.
Aaltsje was een lieve vrouw, die lachend door het leven ging. Roelof was óók zo kwaad nog niet, maar kon vreselijk vloeken, als hem iets dwars voor de voeten kwam. Aaltsje overleed in 1950 en Roelof ging bij zijn oudste dochter inwonen. Het huis werd verhuurd.
Na nog enkele honderden meters, kwam men aan de grens tussen de dorpen Nijlamer en Oldelamer.
Net voor de grens, een vijftig meter vanaf de weg stond het huisje, waar Berteld Hoekstra in woonde met vrouw en kinderen.
In mijn jonge jaren woonde daar ook de schoonvader van Barteld in, die Tiemen Hoogeveen heette. Men noemde hem Tiemen Welmer, hij overleed omstreeks 1906. Barteld en Joukje, zo heette zijn vrouw, hadden zes kinderen. Met de derde, Egbert ben ik nog al veel omgegaan en wel tot mijn 14de jaar, waarna ik Nijlamer verliet.
Barteld Hoekstra had als bijnaam Barteld Varken. Hij had nogal een groot woord en was voor niemand bang. Achter zijn kiezen had hij steeds een forse pruim tabak en hij vloekte als een dragonder, terwijl hij om de haverklap een straal tabakssap uitspuwde. Dit maakte een geluid als: “Pietssch”
Barteld was een harde werker en geboren Wolvegaaster. Hij kende het werk in het bos, zowel als de boerenarbeid, was een goed maaier en deed óók baggerwerk. In die tijd, was er in het bosch nogal eens wat te doen – nu zijn die bossen allemaal verdwenen – en zo verdiende hij in de winter ook nog al eens wat. ‘s-Winters, als het hard vroor en het ijs sterk genoeg was, ging hij met anderen op het ijs staan en verdiende als baanveger datgene, wat de schaatsers hem wensten te geven. Meestal was dat één of twee cent, soms ook niets.
“Denk om de baanveger, één banecent”: zo luidde de roep van de baanveger.
“Ja, als we terugkomen Barteld”: en pietsch spoot Barteld een straal tabakssap in hun richting. Als ze dan terugkwamen, riep Barteld: “Denk om de baanveger”. “Als we terugkomen Barteld” riepen de jongelui weer. Pietsch, deed Barteld. “Ik gooi je de bezem voor de poten smeerlappen”
Zijn success verhaal, dat hij bij iedere gelegenheid gaarne liet horen, was zijn verschil van mening met Ds. Henkemans, predikant te Wolvega,
Barteld was ook lidmaat van de Nedelands Hervormde Kerk, maar hij kwam er nooit. Tevens deed hij graag een kwarweitje voor zichzelf op Zondag, want dan hoefde hij geen daghuur te verzuimen.
Ds. Henkeman nu, meende Barteld hierover tot de orde te moeten roepen en beweerde dat werken op Zondag niet nodig was.
“Pietsch, jij verdient het op Zondag g.v.d.” repliceerde Barteld. Van het één kwam het ander en ze begonnen op te tellen, hoeveel geld een arbeider in een jaar alzo verdiende men zijn verschillende werkzaamheden. Zij kwamen ongeveer op, naar ik meen, Fl. 350.- per jaar. Dominee meende, dat dat nogal ging. Barteld hevig verontwaardigd: “G.V.D. hoeveel verdien Jij dan.?”
Dat zul je wel weten, Aldus de dominee. Barteld: “Voor zover ik weet Fl. 1600.-!”
“Daar moet ik wel mijn stand van ophouden:” Aldus de dominee.
“Mijn wijf, pietsch, wil de kinderen netjes bij de weg hebben lopen, pietsch, dat is mijn stand, pietsch.”
Dit is het verhaal, dat Barteld uit den treure deed.
Zijn vrouw, Joukje, kreupelde een beetje en werd daarom Joukien Hip genoemd. Het was een flinke huisvrouw, maar ze had de naam, dat ze graag kletste. Haar huishouding verzorgde ze echter netjes, was brandschoon, een goede naaister, maar deed óók het werk op de bouw, zoals aardappelen rooien enz.
Barteld had zijn bouwland naast dat van ons liggen. Eigenaar van het hele land was de kerkvoogdij van Nijlamer, maar vroeger moet het behoord hebben aan een zekere mijnheer Bruning en daarom sprak men steeds van Bruningsbouw.
Het ging om ongeveer 15 percelen, die om de vijf jaar werden verhuurd. Vader had perceel nummer 5.
Sloeg men bii de handwijze rechtsaf, dan ging men over een klinkerweg, die dwars door het gehele dorp, of liever door de streek Nijlamer liep.
Het eerste gedeelte diende destijds ook als waterkering tegen het boezemwater, zodat de polders niet kon instromen, tot aan de schipsloot. Als men d schipslootbrug over was, deed de weg geen dienst meer als polderdijk. De weg heette dan tot de eerste bocht “Lieklaan”, waarom weet ik niet. Of nu “Lieklaan” “Lijklaan” betekende weet ik niet, maar het was wel een lugubere naam. Het is echter ook mogelijk, dat de naam kwam van een zekere mijnheer Lycklema uit Wolvega.
Er was destijds óók een Lycklema Stins, nu Lycklema State en een tehuis voor ouden van dagen.
Verder heette de streek “De stadburen” maar wij zeiden altijd “Stadboeren” tot aan de school waar de grens was tussen Nijlamer en Nijholtwolde. Vervolgens kruiste de weg de spoorlijn en bereikte tenslotte de Rijksweg, welke van Zwolle naar Leeuwarden gaat.
In 1904 moest mijn broer Geert ook naar school en mijn vader besloot, om ons van de Ger. School af te nemen en naar de Openbare school te Nijlamer te sturen. Dat was een kortere schoolweg. Aanvankelijk zouden wij reeds in 1903 van de school zijn gegaan, maar dat ging niet door, omdat dat volgens de onderwijzer in Wolvega in strijd was met de schoolverordening. Hij wilde óók de pokkenbriefjes niet geven, zonder welke we niet naar school mochten en we dus moesten wachten tot het nieuwe schooljaar, hetwelk begon in April 1904.
Zodoende maakten we op de school in Wolvega nog het schoolfeest mede van het 25 jubileum van de burgemeester van Weststellingwerf.
Dat was een hele drukte.! Er zouden optochten gehouden worden, waaraan óók de schooljeugd deelnam, een historische optocht met erebogen enz. De meesters vonden het nodig, dat we voordien exerceren leerden en zo moesten we op school leren in de maat te lopen.
Ik werd een keer uit de rij gestuurd en moest in school zitten, terwijl de anderen marcheerden.
Ik zette nl. de voet wat scheef, omdat ik een liesbreuk had en ik denk, dat het daardoor kwam. De meester meende kennelijk, dat ik dat opzettelijk deed en ik moest eruit. We leerden voor die gelegenheid ook liedjes op bekende wijsjes, de woorden weet ik mij niet meer zo precies te herinneren. Op de wijze van “Deutschland, Deuts land über alles” zongen wij:
“Tal van vlaggen wappren vrolijk. Heel ons dorp in feestgewaad”
Het schoolfeest vond plaats in de herfst van 1903. In Maart 1904 maakten we een einde aan de lange schoolweg naar Wolvega. Ik had er drie jaar naar toe gelopen, maar slechts twee klassen doorgegaan, omdat ik in de tweede klas moest doubleren, wegens te veel schoolverzuim. Ik was lange tijd ziek geweest door een gezwel aan de hals.
Eén April 1904 kwam mijn broeder Roelof van school af, hij was toen 13 jaar oud, en óók wij namen afscheid van de School met den Bijbel, aan de Kerkstraat in Wolvega. “Eben Haëzer”, tot zover heeft de Here ons geholpen, stond er in gevel van het schoolgebouw.
Wij gingen toen in Nijlamer op school. Mijn broer Geert was toen 6 jaar oud en mocht voor het eerst mee en ik kwam in de derde klas. De school in Nijlamer bestond uit twee lokalen en ik elk lokaal zat 3½ klas, d.w.z. ‘s-morgens zaten er vier klassen bij de ondermeester H. Schaap en ‘s-middags zaten 4 klassen bij de hoofdonderwijzer J. Baas. De vierde klas pendelde dus heen en weer.
Meester Schaap was een nog jonge man en ongetrouwd, Meester Baas was getrouwd en woonde in een huis, dat tegen de school was aangebouwd. Door een venster in de gang, kregen de onderwijzers elke morgen om 10 uur een kop koffie aangereikt.
Als “Meesterke”, zo werd de vrouw van de hoofonderwijzer genoemd, een boodschap aan meester had, han hoefde ze slechts even het venster te openen en kon ze haar wensen aan meester kenbaar maken.
Meester Baas was destijds ongeveer 35 jaar oud, droeg een lange slipjas en had een zwarte baard en snor. Erg symphatiek heb ik beide meesters nooit gevonden, maar dat kan ook aan mij gelegen hebben.
Mijn broer Geert kon helemaal niet met hen opschieten, leerde op school slecht en dat hij later de best ontwikkelde van de gehele familie werd, heeft hij niet aan Meester Baas te danken, maar uitsluitend aan zijn ijver, waarmede hij zich in later jaren op zelfstudie heeft toegelegd.
Ik leerde al direct gemakkelijk op de school in Nijlamer, was steeds de beste van de klas in alle vakken. Werd er eens een prijs uitgeloofd, voor het maken van een opstel, dan heb ik die steeds gewonnen.
Ik had een buitengewoon goed geheugen en dat kwam mij van pas. Als de meester de vakken in een hogere klas behandelde, kon ik mij later, toen ik zelf in die klas zat, dat alles nog goed herinneren. Ik wist dat steeds rake antwoorden te geven – in feite waren dat meester’s eigen antwooren, die ik onthouden had – de gehele klas en óók meester, zodoende in verbazing brengend.
Mijn zuster Griet ging ook mee over van de school te Wolvega naar Nijlamer. Zij was dikwijls ziek en op het laatst werd dat zó erg, dat het ergste werd gevreesd. Velen dachten, dat het TBC was, maar zij bleek alleen een zenuwlijder te zijn. Zij werd tenslotte in het Diaconessenhuis in Den Haag opgenomen, Laan van Meerdervoort 84.
Er waren destijds nog geen ziekenkassen, die dat betaalden, maar de Kerkvoogdij te Nijlamer, nam zowel de reiskosten als ook de verplegingskosten voor haar rekening op voorstel van Meester Baas, die haar óók met de trein naar Den Haag bracht. Griet heeft veel aan hem te danken, dat zij Meester Baas hier met ere nagegeven.
Zij knapte daar in drie maanden geheel en al op, wat niemand had verwacht, behalve dan Dokter Meijeringh, onze armendokter te Wolvega, althans dat beweerde hij. Toen Griet terugkwam, sprak ze als een “Hagenees” en deed ze ‘s-avonds voor het naar bed gaan haar nachtgebed. Dat had ze allemaal in het ziekenhuis geleerd in de drie maanden.
Inplaats van dat belachelijk te vinden, adviseerde mijn vader haar, om haar “taal” het Hagenees bedoel ik, voorlopig maar aan te houden.
Merkwaardig, dat dergelijke kleine gebeurtenissen, eigenlijk onbeduidend op zichzelf, in mijn herinnering zijn gebleven.
Misschien heb mij er toen al over verwonderd, dat mijn vader een dergelijk advies gaf, zodoende de gemaakte houding van mijn zuster aanwakkerde, die haar gezien haar leeftijd wel te vergeven was, in plaats van die tegen te gaan.
Mijn vader en ik waren echter twee zeer verschillende karakters en dat scheen ik toen, ik was toen elf of twaalf jaar oud, reeds te voelen.
Daardoor kwam het óók, dat ik met mijn ouders nooit geheel en al intiem ben geweest Ik was nu eenmaal anders dan de anderen en mijn broers althans, stonden geestelijk dichter bij mijn ouders.
Het vak van mijn vader stelde omstreeks die tijd helemaal niets meer voor en op alle mogelijke manieren probeerden de ouders om op de een of andere wijze wat te verdienen.
Mijn moeder heeft nog enkele jaren turf gemaakt voor Wiebren Koopmans, die nogal eens wat voor ons deed. Als president kerkvoogd, had hij óók de voordelige transactie met het ouderlijk huis bewerkstelligd. Toen mijn zuster ziek was, mochten wij gratis elke dag een liter melk voor haar komen halen.
Mijn vader vergezeld door mijn broer Roelof, gingen de straat op met handel.
Wij hadden eesn van oom Geert, mijn moeders broer, een mooi hondje gekregen, dat bij “Bles” noemden. Ik vooral, was er erg mee ingenomen.
Van het onderstel van een oude kinderwagen, die in die tijd erg stabiel waren – er zaten houten wielen met ijzeren banden onder – werd een hondenkar of liever gezegd een honden wagen gemaakt, doordat Jan er een houten bak op timmerde. De goede “Bles” werd als trekhond gebruikt en mijn vader nam in dat wanhopige vehikel plaats, natuurlijk zijn krukken medenemend.
Eén van de kerkvoogden had dat gezien en het armzalig karretje naar waarde schattend, werd door de HH Kerkvoogden besloten een nieuwe wagen te laten maken voor mijn vader.
Op zekere avond kwam wagenmaker Feenstra met de nieuwe wagen aan. Het moest een verrassing voor mijn vader zijn, maar er was toch wel wat van uitgelekt, zodat wij niet helemaal onvoorbereid waren. Wij allen vonden het wagentje op 4 wielen prachtig en aan Jan viel de eer te beurt een rieten afdak voor de wagen te maken, zodat hij droog kwam te staan.
Er was echter één moeilijkheid. Over de slechte wegen van die tijd, liep de vierwielige wagen veel zwaarder, dan de vroegere kinderwagen en daarvoor waren de krachten van onze “Bles” niet toereikend, zodat later een tweede hond erbij werd gekocht.
Met de wagen, “Bles” er voor en Roelof duwend, een emmer pekelharing, of een kist bokking naast mijn vader, ging het de streek op. Hoewel mijn vader óók handelde in vroege aardappelen, sinaaasappelen, peren, appelen en weet ik veel, waren de verdiensten niet groot en zette de handel geen zoden aan de dijk. Ik moest al vroeg assistentie verlenen bij die handel, als ik Zaterdags geen school had.
Al spoedig ging ik echter alleen en ik had de naam een goede verkoper te zijn. Ook ging ik wel met Roelof en later met mijn zuster Griet.
Ik kan mij nog herinneren, dat mijn vader een paar honderd bakbokkingen had ingeslagen, daarna al een paar uren had gevent en daarvan slechts één bosje – ze zaten in bosjes van 12 stuks – had verkocht. ‘s-Avonds uit school, werd ik ermee de weg op gestuurd. De mand met bokking op de kruiwagen en daar ging het heen, de weg naar Oldelamer op. Ik had al direct success en daardoor aangemoedigd, ging ik steeds verder totdat ik nog slechts één bosje over had en ik voor de Helomavaart. (Voor degenen, die in die buurt niet goed bekend zijn, met de auto is dat nu een half uur rijden. Ed.)
Intussen was het donker geworden en ik moest weer terug, ruim 2 uur lopen. Thuisgekomen werd ik uitbundig geprezen om mijn flinkheid en waren de oude lui wat blij, dat de bokking verkocht was, want bakbokking is niet onbeperkt houdbaar.
In het voorjaar ging mijn vader het bos in, vergezeld van Roelof, althans het eerste jaar, dat hij met dat werk begon, het z.g. eekschillen. In die tijd, waren er in de buurt van Wolvega nogal wat bossen. Als het hout een jaar of tien oud was, werd het gekapt. In de winter kapte men het berken, elzen en andere soorten hout. Alleen het berkenhout werd gebruikt om er handvegers van te maken. De rest diende als brandhout.
Het eiken werd in het voorjaar gekapt, op maat gezaagd en moest dan van de schil worden ontdaan.
Met dat werk trachtte mijn vader wat bij te verdienen.
Het eikenhout werd op een paal gelegd en met klopper, een sort hamer, werd flink op het hout geslagen, waardoor de bast van het eikenhout lossprong.
Deze eikenschors werd gebruikt als looimiddel in de leerlooierijen, het blanke eikenhut was een duur sort brandhout.
Mijn vader ging ‘s-morgens om vier uur van huis en kwam ‘s-avonds om half negen weer thuis. Met dit werk verdiende hij ca. een rijksdaalder per week. De totale duur van dit werk was 6 tot 8 weken.
Ik was nog maar 12 jaar oud, toen ik ‘s-morgens om vier uur met mijn vader vertrok naar het bos, méér dan een uur lopen en helpen de wagen duwen over de slechte-en soms zandwegen. Vandaaruit ging ik naar school en uit school komend, moest ik weer naar het bos om mijn vader nog wat te helpen bij het eekkloppen. Daarna moest ik ‘s-avonds weer helpen de kar naar huis duwen, als de honden het alleen niet aan konden. Als ik op Zaterdag vrij was van school, werkte ik de gehele dag in het bos.
Als dan op Zaterdagavond mijn vader zijn rijksdaalder à drie gulden in ontvangst nam, reden wij met de hondenkar door Wolvega en aan de Hoofdstraat bij G. Boersma, het filiaal van Boersma’s winkels, waarvan er in elke grote plaats in Friesland een was, haalden wij winkelwaren, omdat deze daar goedkoper waren, dan bij ons in het winkeltje in Nijlamer. Bovendien werd in Boersma’s winkels geen neen verkocht, want ze hadden alles, wat tot hun branche behoorde. Met deze aankopen ging dan wel zowat het gehele weekgeld naar de maan.
Als de eekschillerije afgelopen was, begonnen wij met een handeltje in nieuwe aardappelen.
Ik heb in mijn jongensjaren de opkomst van de fiets meegemaakt, d.w.z. in die jaren begon de fiets langzamerhand gemeengoed te worden.
De fiets had toen al ongeveer zijn tegenwoordih model, behalve dat er geen electrisch licht op zat. In die tijd deed men het met carbidlaantaarns, die echter óók heel goed licht gaven, zeker zo goed als de tegenwoordige electrische lampen.
De fiets was een uitkomst voor de mensen daar. Het land was vlak en de afstanden waren groot. De fiets werd goedkoper, voor Fl. 65.- à Fl. 70.- had men al een nieuwe fiets. Oók destijds was het al mogelijk, om de oude fiets in te ruilen. Deze werden dan opgeknapt en voor een paar gulden verkocht aan een arme dagloner, die er mee naar zijn werk kon gaan. Huren was eveneens mogelijk en wel voor Fl. 1.- per week. Hiervan werd vrij veel gebruik gemaakt ,vooral door diegenen, die nog geen geld voor een fiets hadden en toch óók eens wilden fietsen.
Ik heb óók nog mensen zien fietsen op oude modellen, welke nog geen luchtbanden maar z.g. cushionbanden hadden, d.w.z. volgummibanden. De wielen waren zwaar en hadden zeer dike spaken. Dan was er nog een schilder op een driewieler, welke vaak langs ons reed. Op deze manier kon hij natuurlijk zijn verfpotten gemakkelijk vervoeren.
Het fietsen toen, was toch wel heel was zwaarder dan nu. We kenden nog niet de mooie tegelpaden en gladde asfaltwegen van tegenwoordig. Langs de Rijksweg Leeuwarden/Zwolle was echter in 1903 al een fietspad, bestrooid met schelpengruis..
De Rijksweg zelf was verhard met klinkers en nog niet zo breed als nu. Dat was ook niet nodig, omdat het verkeer niet veel om het lijf had. Auto’s waren er hoegenaamd niet en als er al eens een auto langskwam, dan liep jong en oud naar de weg, om dat wereldwonder te zien.
Dr. v.d. Zande, arts te Wolvega, was een modern en vooruitstrevend man. Hij was de eerst die ik met een Benz auto heb gezien. De auto was in die tijd een koetswagen zonder paarden, ongeveer het model van een Landauer met plaats voor vier personen. Tussen de zitplaatsen was het stuurwiel gemonteerd, zodat de chauffeur op de achterbank zat met het gezicht naar voren. De twee voorste passagiers zaten dus met hun gezicht naar achteren.
De motor maakte een hevig spektakel en de snelheid was zeer matig, zo’n 30 à 40 Km per uur, overigens een hele prestatie op de slechte wegen van destijds.
Erg lang heeft de dokter die auto niet gehad. Later kwam hij met een motor, in die dagen stoomfiets genoemd. Om aan de gang te komen, moest het vehikel worden aangelopen, want er was geen versnellingsbak bij. Sloeg de motor aan, dan sprong men gauw in het zadel en daar ging het dan heen.
De motor bracht zijn kracht op het achterwiel over d.m.v. een riem.
Volmaakt waren deze machines echter nog niet, heel dikwijls hadden ze kuren en wilden niet lopen.
Maar alle begin is moelijk en de motor-industrie stond nog in haar kinderschoenen. Jaren later tussen 1914 en 1919, zag ik de eerst behoorlijke motor, welke de Amerikanen naar Duitsland brachten, de Harley Davidsn en de Indian, maar hoewel reeds een hele verbetering, zijn óók die typen machines t.o.v. nu hopeloss ouderwets.
Toen mijn broer Roelof dan goed en wel van school af was, moest hij zien om wat te verdienen ging het nog niet zo goed.
Roelof was erg onhandig en ook geen harde werker, terwijl de handel ook niet zo veel opbracht.
Hij ging al eens met Jentje van de Werf, onze broodbezorger, de Westhoek rond, om op wagen en paart te passen en ontving daarvoor een kwartje per dag. Dit bracht ook al niet veel opluchting, want het ging maar om twee dagen per week.
Een paar honderd meter van ons af lag een grote boerderij, welke bewoond werd door Jacob van der Veen, door iederen Jauk Sierts genoemd.
Daar leerde Roelof melken, een bezigheid, die bijna elke arbeiderszoon of – dochter moesten leren, wilde ze later tenminste de kost kunnen verdienen.
Toen Roelof de kunst machtig was, hadden mijn ouders gehoopt, dat Roelof als knecht bij Jauk Sierts zou komen. Dit bleek echter niet mogelijk te zijn en toen mijn vader pogingen in die zin aanwendde, wilde Jauk niet happen.
Jauk Sierts was in die tijd ongeveer 59 jaar oud en had geen kinderen. Zijn vrouw Trijntje Dijkstra stamde uit de Westhoek.
Zoals alle mensen, die geen kinderen hebben, waren ze een beetje eigenaardig. Vooral Trijntje, of wel kortaf Trien genoemd. Maar ze waren, vooral Jauk toch wel behulpzaam en deden nog wel eens wat voor de arbeiders.
Ze brachten onze mest met paard en wagen naar de bouw en we mochten ook nu en dan we eens karnemelk halen, zonder te betalen. Meestal moesten we toch wel een kleinigheid dokken, zoals bijv. 2 ½ cent voor 3 of 4 liter karnemelk. De boeren in die tijd letten wel op de kleintjes.
Roelof zocht nu een andere boer, ik geloof, dat hij op 12 Mei 1905 in dienst trad in Oude Schoot. Mijn vader ging weer alleen naar het bosch om te eekschillen. Dat was in de buurt van Wolvega, maar nu is daar geen bosch meer.
De dienstbetrekking van Roelof duurde echter niet lang. Na een paar weken stuurde de boer in Oude SChoot Roelof weer weg en zo zat hij dus weer zonder werk.
Wat hij toen gedaan heeft, weet ik niet meer, maar in Mei 1906, trad Roelof in diens bij een boer in Oldelamer. Oók dat duurde echter niet lang en spoedig kwam Roelof weer naar huis.
Datzelfde jaar ging Roelof door bemiddeling van ene S. Marko, die uit de buurt van Wolvega stamde (Sonnega) en met een zekere Leenen in Venlo, een verhuurkantoor voor arbeiders dreef, welke in Duitsland wilden werken, naar Duitsland, samen met nog enkele andere arbeiders uit ons dorp. Zij gingen in Duitsland bieten rooien. Barteld Hoekstra ging ook mee.
Roelof werd geplaatst als melkknecht in Vollrath bij Grevenbroich. Samen met een zekere Tabe Zijlstra, moesten ze daar de gehele koeienstal verzorgen.
Roelof viel het óók daar niet mee en op zekere dag werd Roelof door de politie weer thuis gebracht. Hij was in Vollrath wat onwennog geworden en omdat hij geen geld had om de reis van Venlo naar Wolvega te betalen, ging hij naar de politie, welke hem naar Wolvega bracht.
Dat was wel een blamage, temeer, daar Dhr. S. Marko, later nog een advertentie in het in Wolvega verschijnende weekblad “D Stellingwerf” plaatste, waarin de gehele uitvoering werd belicht, zodat iedereen het te weten kwam.
Ja, de ouders hadden het wel moeilijk met hun oudste zoon, die eigenlijk hun hulp had moeten zijn.
Tenslotte vond Roelof een boer in Rotstergaast, een zekeren Gerben Kerkstra, waar hij zich tot 12 Mei 1907 verhuurde. Daar ging het wat beter, althans hij maakte zijn diensttijd tot 12 Mei 1907 vol.
Toch kwamen óók daar al spoedig strubbelingen, omdat een vriendelijke dorpsgenoot van Kerkstra alles over Roelofs vroegre belevenissen had verteld. In Mei 1907, moest Roelof weer naar een andere boer omzien en hij zou zich daarom voorstellen bij een boer in Nijland bij Sneek.
Roelof kwam elke Zondag thuis en moest dan om vier uur weer bij de boer zijn. Zij weg ging door het polderland van Sickenga en hij werd met een bootje over het Tjongerkanaal gezet. Daardoor kon hij de weg in ongeveer een uur afleggen. Toen de polder onder water stond, zoals gewoonlijk in het voorjaar, moest de weg over Hijholtwolde en Oudeschoot gemaakt worden. Daardoor duurde de wandeling minsten drie uur.
Toen Roelof naar Nijland moest, om zich voor te stellen, moest ik hem op een Zaterdag de schone was brengen via de route van Oudeschoot.
Ik was toen elf jaar oud, maar kan mij nog heel goed de reis herinneren. Tegen de avond, het was al bijna donker, kwam ik weer thuis.
Op de terugweg, op de Lieklaan, trof ik de vrouw van Dirk Wijksma, Klaasje. Ze had de school in Nijlamer schoon gemaakt. Toen ik haar vertelde van mijn reis, merkte ze verantowaardigd op, waarom de boer óók mijn broer niet een dag had vrijgegeven. Die boer zei ze is zowaar een beest. Een mens is hij nog nooit geweest.!
Toen ik thuis kwam, bleek de hele reis ook nog voor niets te zijn geweest. De boer in Nijland had namelijk een telegram gestuurd: “Uw zoon behoeft niet te komen”.
Mijn ouders meenden, dat een vrouw in Nijlamer, onze Roelof slecht gemaakt moest hebben in Nijland en dat daarom de zaak niet doorging. Dit was een wat fantastische veronderstelling, waaraan echter mijn ouders krampachtig vasthielden, óók toen de bedoelde boer aan mijn vader schreef, dat dàt niet het geval, maar dat er een andere reden voor was. Mijn ouders bleven echter geloven aan de kwaadsprekerij van de bedoelde vrouw, die in de wandeling Auk van Jan Sybrands werd genoemd.
Roelof ging in Mei 1907 weer naar Duitsland en belandde in Ichten bij Kettwig en daar ging het beter. Dit was het begin van de melkerskecht-loopbaan van mijn broer Roelof in Duitsland, die hij bijna onafgebroken heeft volgehouden totdat hij op 24 oktober 1950 zeer plotseling overleed in Xenten. Hij was toen nóg armer, als toen hij desdijds naar Duitsland ging. Hij was toen 59 jaar oud.
Inmiddels moest ik echter nog steeds naar school. In de winter gingen we soms met de schaatsen, die we aan huis al konden aanbinden en zo per schaats naar school. Van Roelof kwamen regelmatig goede berichten uit Duitsland. Mijn zuster Grietje had op 1 april 1906 de school verlaten en moest dus een betrekking voor haar gezocht worden. Het eerste ging zij naar Wolvega voor een kwartje in de week, maar daar kon men haar niet lang gebruiken en op een avond stond ze huilende voor de deur, ontslagen. Later kwam ze bij een een boer in Nijlamer, maar daar ging het ook al niet lang goed en tenslotte werd ze dagmeid bij een apotheker “Kath” genoemd en daar hield ze het een hele tijd uit voor slechts een kwartje in de week.!
Intussen had ze ook al bij Hoogkamp gewerkt, maar daar boterde het ook niet en tenslotte op 1 Mei 1909 naar in meen, ging ze naar Wijk bij Zee in een pension en vanaf die tijd, werd óók Griet zelfstandig en ging het verder goed met haar.
Ze heeft daarnaast ook nog vele jaren in Den Haag als dienstmeisje gewerkt en naar ik meen ook twee of drie jaar bij een dominee in Boombergum.
In Nijlamer woonde ook een zekere Sake Bosma, die al aan zijn derde vrouw toe was. Hij was landbouwer, veehouder, melkrijder, houtbaas en vrachtrijder en had veel kinderen waarvan er minstens vier al wolwassen waren.
Met een van hen Jakob, die de vrachtrijderij deed, ging ik vaak mee naar Heerenveen, alwaar hij op Zaterdagmiddag zijn boodschappen deed voor de winkeliers in Olde- en Nijlamer en Nijholtwolde. Ik liep dan zo lang in Heerenveen rond en keek mijn ogen uit in deze, voor mijn doen, nogal grote plaats.
Tegen de avond keerden wij met een boerenwagen vol vracht en een oud zwart paard ervoor naar huis terug. Een kaarslantaarn zorgde voor de verlichting.
In Oudeschoot kochten we meestal een wittebrood, dat we zonder boter oppeuzelden, want honger had ik altijd.
Ik ging ook vaak met een melkwagen mee, eerst de melk ophalen bij de boeren in Oldelamer en dan naar Wolvega naar de fabriek, waar de melk van boeren afgeleverd werd en we kaaswater (wei) weer mee terugkregen.
Soms ging ik ook wel een met een van de jongens mee naar het bosch, om hout of eikenschors te laden, dat dan naar Steenwijk werd gebracht. Het hout was besteed voor de fabrieken, welke er vegerhouten van maakten. Het reizen zal mij al jong in het bloed.
Langzamerhand werd ik ouder en op school leerde ik steeds gemakkelijker.
Toen ik 12 jaar was, moest ik melken leren bij Jauk Sierts.
Het was toen afgelopen met het reizen met melk- en vrachtwagen. Om vier uur ‘s-morgens moest ik de koeien ophalen, om in de “jister” gemolken te worden. Daarna het melken zelf en dan naar school. ‘s-Avonds weer hetzelfde en na een maand of drie kon ik al aardig melken en kwam ik al goed te pas. In de hooitijd, als de knechten in het hooiland waren, moest ik met een meid en nog een melkster de koeien melken.
Zaterdags hielp ik soms mee met werken en zo nu en dan stopte de boer mij eens een gulden toe. Soms gaf ik die aan moeder, maar soms stopte ik hem weg onder de vijfde dakpan op het hok en spaarde ik mij zo een paar schoenen op.
Op 1 April 1909 was mijn schooltijd om en was de tijd van regelmatig werken aangebroken.
Jauk Sierts kwam met mijn vader praten en voor Fl. 70.- per jaar, werd ik uitbesteed. Per jaar Fl. 70.- en vrije inwoning was ongeveer Fl. 20.- boven het gemiddelde voor een jongen als ik toen was, maar ik was groot en sterk voor mijn leeftijd en kon al heel goed melken en zodoende kreeg ik dat hogere loon.
Ik moest op 12 Mei in dienst treden. Tussen 1 April en 12 Mei, heb ik nog verschillende baantjes opgeknapt, het bouwland van ons omgespit, voor Jauk Sierts moest ik braamstruiken in een greppel langs de weg, die aan zijn land grensde enz.
Het was een guur en koud voorjaar in 109. Op 30 April werd Juliana geboren en het was al net zo’n koude en gure dag en ik was nog steeds aan het werk, langs de weg. De berichtgeving was nog niet zo perfect als thans, want we hadden geen radio, maar menschen die van Wolvega kwamen, hadden telegrammen gelezen. Overal werden klokken geluid en er waren óók schoolfeesten.
Ik heb ook nog in die dagen voor de 12de Mei in het buitendijkse land, z.g. driftgoed moeten harken, maar voor al die kwarweitjes, heb ik nooit een cent gekregen. Jauk Sierts had soms wonderlijke opvattingen.!
De 12de Mei 1909 viel op een Woensdag en het was voorjaarsmarkt in Wolvega. Met mijn vader vertrok ik reeds om 5 uur ‘s-morgens naar de markt in Wolvega, om de lammeren te verkopen. De handel was echter niet erg goed en we maakten geen al te goede prijs. Om een uur of acht waren we weer thuis en direct daarna ging ik in mijn nieuwe betrekking.
Mijn uitrusting bestond uit een nieuwe broek, twee kielen en en boezeroen, waarvoor wij het geld gekregen hadden van de Kerkvoogdij in Nijlamer, door bemiddeling van Jauk Sierts, die ook notable was. Ik voelde mij nogal groot, de school achter de rug knecht bij een boer, goede kost, goed loon, wat wilde ik nog méér.!
Er waren en er kwamen natuurlijk óók moeilijkheden. Ik moest nog zoveel leren en op- en aanmerkingen werden ruimschoots mijn deel, maar ik sloeg mij er toch goed doorheen. Het mooiste vond ik om met het oude paard te rijden, maar lang duurde dat niet. In de loop van de zomer werd het oude paard verkocht en aan de jongere paarden mocht ik niet komen. De Friesche jonge paarden zijn niet geschikt, om door jongens gemend te worden. Ik huilde bijna, toen het oude paard verkocht werd.
Behalve mijn persoon, was er nog een arbeider in dienst, een schoonzonn van Johannes Bootsma, Alle Dijkstra geheten en toen 24 jaar oud.
Dan was er nog een dienstmeid, Heintje Plantinga, een nogal lasting creatuur, die al vele jaren op de boerderij was en de enige die met de vrouw van Van der Veen kon opschieten. Trien Sierts werd ze genoemd en ze had geen gemakkelijk humeur. Er waren geen kinderen, maar ik kon toch tamelijk goed met haar opschieten; elk mens heeft tenslotte zijn goede kanten.
In Juni of in Juli is het meestal hooitijd, maar 1909 was een ongunstig jaar voor de veeboeren. Het gras groeide niet goed en toen het eindelijk gemaaid kon worden, regende het vrij veel. Maaien werd destijds meestal nog met de hand gedaan. Alleen enkele modern boeren hadden een maaimachine en Jauke Sierts was geen modern boer, zeer zeker niet.! Voor het maaien werden twee maaiers aangenomen.
Er waren stukken land, die méér dan een uur van huis af lagen. De maaiers namen dus een tent en proviand mede voor een week en bleven dus een hele week van huis. Zodoende konden zo ‘s-morgens om drie uur beginnen en ‘s-avonds tot het donker doorgaan. Aan een achturige werkdag dacht men destijds nog niet.
Voor het hooien moesten ook extra krachten aangenomen worden. Twee mannen, de één was Jan de Visser, ofwel “Stille Jan” en de ander was Kornelis Toornveld.
Jan was al jaren tijdens het hooien bij Jauk Sierts, maar Toornveld was er voor de eerste keer.
Zij ontvingen voor die seizoensweken, Fl. 10.- per week plus de kost; Alle Dijkstra kreeg Fl. 6,00 per week het gehele jaar door, maar niet met volle kost, maar alleen ochtend- en avondbrood. In de hooitijd at Alle echter ook ‘s-middags en ‘s-avonds mee, want ‘s-avonds aten wij destijds óók warm eten. De hooing was een drukke, maar ook een mooie tijd.
De hooiers begonnen ‘s-morgens al om half vier. Ze gingen dan het hooi afladen, dat de dag ervoor samen was gehooid. In die tijd molken wij de koeien en om half zeven of zeven uur was het ontbijt klaar.
Daarna ging het weer met z’n allen het hooiland in. Als we ver van huis in het boezem land moesten werken, namen wij het middageten mee op een platbodemvaartuig, “bok” geheten. Het land was daar nl. zo drassig, dat er geen paard en wagen kon komen, terwijl er, behalve over water, bijna geen geen weg aanwezig was.
Als het tijd werd om te gaan melken, moest ik naar huis, maar soms mocht ik ook blijven, tot we met z’n állen naar huis gingen.
De bok werd dan vol hooi geladen en om een uur of acht ging het dan boerderijwaarts, twee man de bok duwend en één man soms trekkend. Ik mocht meestal boven op de vracht hooi liggen.
Het was een hele mooie tocht door die stillen wereld, waar je urenlang geen mens zag, dan nu en dan een schipper, die door het Tjongerkanaal zeilde of stoomde. Alles even rustig want de motor werd in schepen toen nog nauwelijks gebruikt.
In Augustus 1909 mocht ik nog met het schoolreisje mee, dat de twee hoogste klassen en dié leerlingen, die in April van hetzelfde jaar de school hadden verlaten, elk jaar maakten.
Dié dag gingen wij naar Arnhem en voor deze ene keer was ik weer schooljongen.
De bijzonderheden kan ik mij niet meer zo herinneren, wel weet ik, dat wij met een bootje naar de Westerbouwing gingen. Twee jaar daarvoor waren wij óók naar Arnhem geweest en toen hadden wij Rozendaal, Bronbeek en De Bedriegertjes bewonderd en het jaar daarvoor, was de reis naar Zwolle geweest. In die tijd, toen er nog niet zo veel werd gereisd als nu het geval is, was dat voor ons jongens een geweldige dag.
Langzaam ging mijn eerste jaar bij de boer om. Na de hooitijd kwam de rogge-oogst, want Jauk Sierts hield altijd nog een stuk rogge en aardappelen erop na.
De hooi-oogst in 1909 viel erg tegen, vanwege het slechte weer. Er moest hooi worden bijgekocht en drie koeien minder worden gehouden. De gezondheid van de boer liet óók te wensen over. Hij – toen 61 jaar – was niet zo sterk meer, hij was erg kregel en de slechte resultaten van 1909, deden zijn zenuwen óók al niet zo goed. Na de hooitijd werden de maaiers en hooiers weer ontslagen en deden wij het werk weer alleen. De aardappelen werden gerooid met behulp van een extra kracht en langzamerhand kwamen wij aardig in de herfst te zitten. Reeds werden de koeien ‘s-morgens en ‘s-avonds bij donker gemolken. Druk werk hadden wij toen niet meer. Begin November werden de koeien weer op stal gezet.
De Friese stallen zijn erg lag. De koeien staan zowat 25 cm boven de gang met tussen elke twee koeien en houten beschot, waar de koeien aan vast werden gezet door middle van een touw op de horns. Achter de koeien langs liep een greppel, waarin de mest viel. Stroo gebruikt men in Friesland niet.
Mijn bedstee was gemaakt in de koestal. Als ik uit bed stapte sond ik op de koegang en wilde ik geen mest in bed hebben, dan moest ik met gesloten bedstee-deuren slapen. Het bed zelf was echter heel goed.
In de winter van 1909 op 1910, was er geen noemenswaardige vorst, zodat er van ijssport (schaatsen) niets kwam.
In de winter was er niet zoveel werk en als het vee verzorgd was, was het meeste wel gedaan. Alleen deden wij dan met twee man de rogge dorsen met de vlegel. Dit moet wel geleerd worden, maar erg moeilijk is het toch niet.
Omstreeks Nieuwjaar werden de knechten weer ingehuurd voor het nieuwe seizoen, dat bijv. voor dienstboden op 12 Mei begon.
Ik zelf was besloten, om naar Duitsland te gaan als melkersknecht.
Roelof was al enige jaren in Duitsland en als ik er nu aan terugdenk, kan ik nog steeds niet goed begrijpen, dat mijn ouders er geen bezwaar tegen maakten, om een jongen van 14 jaar naar Duitsland te laten gaan.
Jauk Sierts maakte wel bezwaar, maar die kon er uiteraard niets tegen doen. Het voorjaar van 1910 was nogal gunstig en de bewuste datum, 12 Mei, kwam hoe langer hoe meer in zicht.
Op 9 Mei werden de koeien van stal losgemaakt, om weer de gehele zomer, dag en nacht in de weide te verblijven.
Het vee was dan zo dartel als jonge geiten en in het begin was het niets dan rennen en vechten, maar al spoedig begonnen ze dan van het malse gras te vreten.
Op 12 Mei 1910, om 12 uur, was het dan zover. Ik kreeg het restant van mijn loon, ongeveer Fl. 36.- en had daarmede mijn eerste dienstjaar volbracht.
In datzelfde voorjaar was er óók nogal veel drukte om een komeet, die men de komeet van Halley noemde. Veel mensen waren door het verschijnen van deze komeet zelfs bang dat de wereld zou vergaan.
De 12de Mei 1910 viel op een Donderdag en op Vrijdag en Zaterdag heb ik nog een stukje bonengrond omgespit voor de ouders, waarbij ik werd geholpen door Jan de Visser en door Grote Jan.
Zaterdagsmiddags huurde ik mij voor een paar dagen een fiets, want Zondag en Maandag was het Pinsteren en kermis in Heerenveen en daar ben ik nog heengeweest.
Op Maandagavond ben ik nog naar Nijetrijne geweest, om afscheid te nemen van Beppe. Met mijn zuster Johanna ben ik erheen gefietst en dat was de laatste keer, dat ik in dat oude huisje ben geweest.
De daarop volgende dag, Dinsdag 17 Mei 1910, vertrok ik dan naar Duitsland.
Ik fietste over Nijeholtswolde om misschien nog enige bekenden te kunnen groeten, maar ik geloof niet dat ik iemand heb gezien. Alleen Jauk Sierts heb ik nog goedendag kunnen zeggen. Ik moest, in Wolvega aangekomen, eerst nog de huurfiets terugbrengen en daarna met mijn blauwe katoenen plunjezak op de schouder naar het station voor ee kaartje naar Arnhem, 3de klasse.!
Tot Meppel hadden wij een trein, waar men de gehele wagon kon overzien en bij de stations Peperga en Willemsoord werd toen ook nog gestopt. In Meppel overstappen en na een klein half uur naar Zwolle. Aldaar weer overstappen, een half uurtje wachten en toen de heusche sneltrein naar Arnhem. Daar kwam ik zo ongeveer om half elf aan, na om zeven uur uit Wolvega vertrokken te zijn.
In Arnhem moest ik ruim anderhalf uur wachten en intussen wisselde ik mijn Nederland geld om in Duits geld en kocht een kaartje 3de klasse naar Keulen.
In Elten kwamen wij over de Duitse grens en moesten wij door de Zollhalle. Ik kreeg een krijtstreep op mijn plunjezak en toen weer de trein in. We waren nu dan dus in Duitsland.
Toen ik goed en wel weer in de trein zat, kwam er ook een hele familie naar binnen. Grootvader en Grootmoeder, maar nog jong van jaren, hun dochter met een kind op de arm en nog een dochter.
Opa was nog maar pas gezeten, of hij maakte met een gemaak, hetwelk oefefing verried zijn broek los en wipte ere en half pond tabak uit, waarna oma haar kousen naar naar beneden stroopte en er een paar pakjes thee uit goochelde. Geen wonder, dat je van die dikke benen had, merkte de jongste dochter op. Opa verzocht haar vriendelijk om haar bek dicht te houden. Op het laatste moment, kwam ook nog de echtgenoot van de andere dochter binnenvallen.
Hij had moeilijkheden gehad bij de Duitse tolbeambten met zijn kinderwagen, Dat had ik je toch gezegd, zei opa, dat was de kinderwagen van Frans. Deze opmerking ontging mij.
De trein zette zich in beweging en ging op weg naar Emmerich. De jonge vader keek ee ernstig naar zijn zuigeling, die tevreden op moeders schoot zat en sprak, zeer wijsgerig; “Zo jong, nu ga je naar het land van belofte”.
In Emmerich allemaal eruit. Ik had maar één doel, nl de trein naar Keulen niet te missen, maar ik sprak en verstond bijna geen woord Duits. De conducteurs maanden: “Einsteigen”, “Einsteigen”. Het was een geweldige lange trein en ik zag niets dan 4de klasse rijtuigen, waain men meestal moest staan.
In stapte in de 4de klasse, bang als ik was om de trein te zullen missen, met een 3de klasse kaartje in mijn zak. Ik heb tot Keulen moeten staan, ongeveer drie uur lang want in het begin stopte de trein bij bijna elk station, maar op het laatste ging het vlugger.
In Oberhausen riepen de conducteurs: “Zug fährt direct Mülheim/Rhein, Düsseldorf, Köln.
Dat verstond ik wel, maar het was me niet mogelijk een gesprek aan te knopen met de mensen, want ik verstond er niets van.
Ik hing de gehele reis met het hoofd buiten het venster, zodat ik knap zwart was toen ik in Keulen aankwam.
HIER EINDIGT HET DAGBOEK VAN PIETER VAN DER LENDE