Wor
I. Cornelis Jansz. Wor, geboren naar schatting ca. 1470, metselaar te Dordrecht (1543)
ORA Dordrecht inv. 693, f. 71, 6 nov. 1543: Cornelis Wor Jansz. metselaar verkoopt aan Neeltgen [Adriansdr.], weduwe van Vastert Willemsz. [in de 10e penning van 1543 (f. 34v) wordt zij Neeltgen Vastarts genoemd, een huis, erf en toebehoren, staande aan de poortzijde op de Vogelmarkt [Groenmarkt] op de havenzijde tussen het huis van heer Wouter Pieter Staesz. en dat van Jorden de bakker.
ORA Dordrecht inv. 693, f. 87v, 19 jan. 1544: Cornelia, de weduwe van Vastert Willemsz. met gekoren voogd is schuldig aan Cornelis Wor Jansz. metselaar 355 gl. wegens koop van voornoemd huis. Borg: Willem Vastertsz. "vuijt onsen achten", haar zoon.
Kinderen:
1. Jacob Cornelisz. Wor
2. Cornelis Cornelisz Wor (de oude), geboren ca. 1504, volgt II.
3. Jorden Cornelisz. Wor, geboren ca. 1517 (ongeveer 50 jaar oud in 1569, 54 jaar oud in 1570), metselaar te Dordrecht (1554, 1569, 1571), overleden na 20 nov. 1571, trouwde Neeltge NN
ORA Dordrecht inv. 693, f. 42v: op 9 aug. 1543 verkoopt Jorden Cornelisz. metselaar aan Wouter Barthoutsz. 2 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op een huis, erf en toebehoren in de Vriesestraat tussen het huis van Pieter Govertsz. wijnsledenaar en het erf van Gherit de Koekebakker
ORA Dordrecht inv. 695,f. 70v: op 5 febr. 1546 verkoopt Elant Ariensz. aan Jorden Wor Cornelisz. metselaar een huis, erf en toebehoren in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen het huis van Aelbert Pijnssz. en dat van Barent Brouwersknecht.
ORA Dordrecht inv. 709, f. 14v, verklaring dd 5 dec. 1569 door Jorden Cornelisz. Wor metselaar, 50 jaar oud
ORA Dordrecht inv. 709, akte 135, verklaring dd 11 mrt. 1570 door Jorden Cornelisz. metselaar, 54 jaar oud. Op verzoek van Jan Jacobsz. houthaker verklaart hij, dat hij ongeveer 25 of 26 jaar geleden samen met zijn knecht Bemmel de metselaar een zeker "sidelmuerke" gemaakt heeft, staande in de gang van Wouter Cornelisz. bierdrager aan de zijde van het huis, dat nu toebehoort aan de rekwirant en toentertijd aan Jorden Cornelisz. zelf.
ORA Dordrecht inv. 728, f. 268v: op 20 nov. 1571 verklaart Jorden Cornelisz. metselaar, 52 jaar oud, dat hij in 1554 op verzoek van Adriaen van Nispen Gerritsz. en de dekenen en gildebroeders van het Sint Jacobsgasthuis te Dordrecht een stenen muur heeft gemaakt tussen het erf van Van Nispen en het Gasthuis.
Kinderen (volgorde onzeker):
a. Weijntgen Jordensdr., geboren naar schatting ca. 1540, overleden ca. 1583, trouwde naar schatting ca. 1565 Jan Jansz. Babtista, schrijnwerker te Dordrecht (vermeld in 1583).
ORA Dordrecht inv. 736, f. 33: op 3 sept. 1580 verlenen Jan Wor timmerman, voor zichzelf en vervangende Trijntgen en Machtelt Hermansdr. en Jan Jansz. Babtista, als man en voogd van Weijntgen Jordensdr., voor zichzelf en vervangende Jacob Jordensz., procuratie aan Willem Ariensz. Ketelaer en Gijsbert Jordensz., mede-erfgenamen van Grijetgen Ruttendr., weduwe van Wijchman Claesz.
ORA Dordrecht inv. 736, f. 43v-44r, akte dd 10 sept. 1580: Pieter Jansz. van Beurden smid, Claes Pietersz.molenaar, Jacob Jordensz. metselaar en Henrick Pietersz. Vuijthoeck, burgers van Dordrecht, stellen zich borg voor Willems Ariensz. ketelboeter, Gijsbert Jordensz. en Jan Babtista, als man en voogd van Weijntgen Jordensz. en Jacob Bornwaeter, met hun "consoorten", allen erfgenamen van moederszijde van wijlen Grietgen Rutten. Jacob Jordensz. verbindt hiervoor zijn huis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis genaamd "de Roscamp" en het huis van Dirck Jansz. schrijnwerker
ORA Dordrecht inv. 736, f. 454v ("Roerende de dood van Weijntgen Jordensdr.") op 24 mei 1583 comp. Jan Jansz. schrijnwerker, weduwnaar van Weijntgen Jordensdr., enerzijds en Gijsbrecht Jordensz. en Jacob Jordensz., als ooms en voogden van Pouwelijna Jansdr., 18 jaar oud en Lijsbeth Jansdr., 6 jaar oud, kinderen van Weijntgen Jordensdr., anderzijds. (Volgt de boedelscheiding.)
b. Ghijsbert Jordensz., geboren ca. 1545, metselaar te Dordrecht, trouwde ca. 1565 Christina Zijmonsdr.
13 okt. 1569: Gijsbrecht Jordensz. metselaar, weduwnaar van Christina Zijmonsdr., enerzijds en Willem Jansz. leidekker, als voogd en naaste bloedverwant van Neeltgen Gijsbrechtsdr., 3 jaar oud, weeskind van Christina Zijmonsdr., verwekt door Gijsbrecht Jordensz., treffen een overeenkomst betreffende de verdeling van de goederen, die zijn nagelaten door Christina Zijmonsdr. Gijsbrecht Jordensz. stelt als onderpand voor de nakoming van deze overeenkomst een huis op de Nieuwe Gevulde Gracht, staande tussen het huis van Aeriaen de kaaskoper en de tuin van Bouwen van Slingelant. (ORA Dordrecht inv. 708, f. 258 e.v.)
50e penning Dordrecht anno 1580, f. 73: Ghijssbert Jordensz. metselaar betaalt 4 gl. voor zijn huis in de Kromme Elleboog.
ORA Dordrecht inv. 740, f. 168, akte dd 27 juni 1588 vermeldt Ghijsbert Jordensz. metselaar, 43 jaar oud.
Kind:
b-1. Neeltgen Gijsbrechtsdr., geboren ca. 1566
c. Jacob Jordensz. Wor, geboren te Dordrecht ca. 1549, metselaar te Dordrecht, overleden ca. 1602, trouwde NG Dordrecht jan. 1575 Mariken Jansdr. Boucquet, geboren te Dordrecht ca. 1555, overleden na 26 april 1622.
ORA Dordrecht inv. 734, f. 79v akte dd 1 aug. 1578: Jacob Jordensz. heeft na een woordenwisseling een zekere Pieter Michielsz. Bemmel met een mes in zijn arm gestoken.
ORA Dordrecht inv. 743, f. 124: op 29 nov. 1593 verkoopt Andries Jansz. klapwaker aan Jan Jansz. en Jacob Jordensz., beiden metselaars, een huis, erf en toebehoren in de Heer Heymanssuysstraat, staande en gelegen tussen het huis van Jan Pietersz. en dat van Neel Molenaer. Borg: Adriaen Willemsz. koolweger.
ORA Dordrecht inv. 743, f. 345, akte dd 4 mei 1595: Jacob Jordensz. metselaar is borg voor Ghijsbrecht Jordensz. metselaar.
ORA Dordrecht inv. 897 (geen folionrs.), akte dd 22 dec. 1599: op verzoek van de crediteuren van Frans Egbertsz. bakker legt Jacop Jordensz. metselaar, 40 jaar oud een verklaring af.
Kinderen:
c-1. Jorden Jacobsz. (Wor), geboren naar schatting ca. 1580, metselaar
Gildenarchieven Dordrecht, inv. 669, aug. 1606: Jorden Jacobsz. in het Metselaarsgilde van Dordrecht opgenomen.
II. Cornelis Cornelisz. Wor de oude, geboren ca. 1504, metselaar, reetrekker, overleden ca. 1575, trouwde 1e NN, 2e (ca. 1535?) Aechgen Govertsdr. 't Hoogie
ORA Dordrecht inv. 728, f. 286: op 19 dec. 1571 leggen Cornelis Cornelisz. Wor de oude, 67 jaar en Cornelis Cornelisz. Wor de jonge, ongeveer 34 jaar oud, een verklaring af.
ORA Dordrecht inv. 729, f. 3: op 3 mrt. 1572 comp. Jan Cornelisz., schipper en inwonende poorter van Dordrecht, en stelt zich borg voor Cornelis Wor Cornelisz. de oude voor de somma van penningen, welke Cornelis door het Hof van Holland veroordeeld is te betalen aan Matgen Corssen weduwe.
ORA Dordrecht inv. 711, f. 66: op 22 febr. 1576 verklaart Aechtgen Govertsdr., weduwe van Cornelis Wor Cornelisz., te zijn voldaan en betaald door Loijchgen Roelants, weduwe van Thomas Thomasz., van de 8 1/2 stuiver jaarlijkse landcijns, die zij comparante sprekende had op haar huis op de havenzijde [met "havenzijde" werd in die tijd bedoeld Wijnstraat-Groenmarkt-Grotekerksbuurt]
Uit het eerste huwelijk:
1. Dirck Cornelisz. Wor, geuzenkapitein (1572)
ORA Dordrecht inv. 709, f. 269 e.v.: "Actum den XVen Septembris 1571, coram Diemen et Hubrecht Adriaensz.. Ter instantie van Henrick Hofman als factoer binnen Amsterdam van Wolphang [sic[ Baller borgemeester tot Ausbourg cum suis, requirant. Thomas Zijmonsz., oudt XXIII jaren, van Vorden int graefscap van Eemden, schipper met sijne reeders naest God van zijnen scepe genaemt den Witten Valck, juramento dicit, dat geleden een dach ofte twee naer Sint Jacobsdach lestleden hij getuijge is comen zeijlen van Eemden buijten inde Eemst met noch IX ofte thien andere schepen ende zijlieden alsdoen ontmoetende zeeckere crabscuijt met zeerovers, daer capiteijn op was eenen Bruijn van Utrecht, sijn al te samen wederom te rugge geseijlt vuijtgesondert vier ofte vijf scepen die aldaer bleven leggen. Ende des anderen daechs de wint hem diendende ende willende zijn reijse vorderen is weder tseijl gegaen ende comende inde Eemst heeft doen ter tijt aldaer gevonden tselve vrijbeuterscip, daer capiteijn op was dselve Bruijn van Utrecht, welcke cappiteijn met sijn vrijbeuters hebben hem getuijge doen aen boort comen des smorgens metten zonnenopganck. Ende hij getuijge int scip vande capiteijn gecomen zijnde heeft aldaer op tselve scip gesien Dirck Cornelisz. van Dordrecht. Ende hebben geëijsscht zijn besceijt ende brieven van zijn schip twelck zijlieden gesien hebbende hebben gevraecht wat guedt hij in hadde. Daerop hij geantwoort heeft claphoudt ende wagescot zonder dat hem voirder doen ter tijt gevraecht is geweest naer andere gueden. Ende ontslougen hem ende lijeten hem weder in zijn schip opvaren seggende ghij zijt vrij, passeert. Ende ontrent een vuijer [uur] vuijt zijn scip geweest hebbende, is wederom in sijn scip gevaren ende zijn de vrijbeuters tot vijf in getale, die op sijn schip gebleven waren, doen hij getuige aen des capiteijns scip vour, wederom vuijt sijn scip naer des cappiteijns scip gevaren, sulcx dat hij getuijge doen hem selven vrije ende los vondt. Ende overmits de stilte is daer blijven leggen dien dach. Ende des avonts ontrent zes vuijeren is dvoersz. capiteijns volck hem weder aen boort gecomen ende hebben hem wederom met den boot gehaelt ende doen bijde capiteijn varen met sijn brieven ende besceijt. Ende aldaer gecomen zijnde vraechde hem getuijge naer de brieven van 't guedt dat hij inne hadde. Ende dezelve gesien hebbende, vraechde hem wat gueden dat hij inne hadde, daer op hij getuijge zeijde wagescot ende claphoudt. Waer op den zelven capiteijn zeijde En hebt ghij geen ander gueden inne, want ick weet dat ghij meer ander guedt in hebt. Daerop hij getuijge zeijde Daer is noch drije last coper in met twaelf veerzacken, seggende Daer is een certificatie bij. Ende aldaer gehouden wesende tot tsavonts doen het doncker worde, zijn met drije schepen, als zijn getuijgens scip, Dirck Cornelisz. scip ende 't scip daer doen den cappiteijn in was, twelck hij genomen hadde van eenen Hamborger man, zoe hij getuijge gehoert heeft, tsamen tseijl gegaen ende als seijlende is doen ter tijt Dirck Cornelisz. schip ende des capiteijns schip aen zijn getuijges scip aen boordt gebrocht ende alle drije gestreecken hebbende, hebben de vrijbeuters ende tvolck van Dirck Cornelisz. geschoten doen ter tijt den ballast vuijt des voorsz. Dirck Cornelisz. scip ende daer naer hebben de vrijbeuters genomen vuijt sijn getuijges schip vier hondert wageschot, twaelf veerzacken ende ontrent twaelf hondert stucken copers ende noch enich claphoudt ende vathoudt. Altwelck geladen worde int scip vande voersz. Dirck Cornelisz. van tsavonts alst heel doncker was tot des anderen daechs naer den middage. Ende heeft hij getuijge gesien dat Dirck Cornelisz. doen ter tijt gegaen is vuijt des cappiteijns voersz. scip met drije ofte vier ten alderhoechsten vrijbeuters in sijn schip ende is daer mede met het voersz. guedt ende des cappiteijns schip wech geseijlt van hem getuijges scip tot int gat bij de tweede tonne. Alwaer Dirck Cornelisz. ende den capiteijn heur zeijlen gestreecken hebben ende zijn blijven leggen. Ende den geheelen nacht lanck alsoe aen malcanderens boordt gelegen hebbende zijn des morgens met den sonnenopganck van malcanderen geseijlt, dvoersz. cappiteijn naer den ooster Eems ende den voersz. Dirck Cornelisz. om westen. Verclarende voerts dat doen tvoersz. guedt vuijt sijn getuijges schip geladen worde, den stierman van Dirck Cornelisz. overgecomen is in zijn getuijges schip ende en wilde met Dirck Cornelisz. nijet varen, zeggende dat het hem nijet aen en stondt, willende oeck den stierman meer gelts hebben. Ende dat Dirck Cornelisz. zeijde Compt, vaert mede. Wij sullent wel maecken. Wilt ghij mijn nijet gelooven, ick sal u wel gelt op de hant geven. Ende is daerop mede inden boeijer van Dirck Cornelisz. getreden ende mede gevaren. [De hiernavolgende tekst is onderstreept.] Verclarende voorts, dat den dach als hij getuijge in des capiteijns scip gehouden was, gesien heeft dat Dirck ende den capiteijn tsamen alleenspraeck hielden ende als hij getuijge daer ontrent was stille swegen. Zonder fraude." In margine: "Dit vuijt de kocks certificatie te laten." "Actum ut supra. Ter instantie als boven. Meijnert Sijtgets van Staveren schipscock, out XXII jaren, verclaert bij eede, dat alle den inhouden vande voersz. getuijchenisse van de voersz. Thomas Sijmonsz. warachtich is, ende dat hij getuijge alle tselve daer inne begrepen is mede alsoe gesien ende gehoert heeft zulcx gesciet te zijn als van woerde te woerde bij hem verclaert is, vuijtgesondert int leste van de selve depositie, dat gesubreguleert is. Zonder fraude."
2. Jan Cornelisz. Wor, volgt IIIa
3. Govaert Cornelisz. Wor
Uit het tweede huwelijk:
1. Sybert Cornelisz. Wor, geboren ca. 1535, volgt IIIb
2. Cornelis Cornelisz. Wor, geboren ca. 1535, volgt IIIc
3. Maerchien Cornelisdr. Wor, trouwde Laurens Joosten bakker
ORA Dordrecht inv. 737, f. 289: Op 15 dec. 1583 verkoopt Marijcken Cornelisdr. Wor, weduwe van Laurens Joosten, aan haar broer Godschalck Wor Cornelisz. twee huisbrieven met het huis, dat daarin wordt vermeld.
4. Godtschalck (Schalck) Cornelisz. Wor, kapitein (1586), geboren ca. 1538, trouwde Neeltgen Adriaensdr.
ORA Dordrecht inv. 736, f. 287: op 1 febr. 1582 compareren Willem Andriesz. brouwersknecht en Goetschalck Cornelisz. Wor, als man van Neeltgen Adriaensdr., voor zichzelf en samen tevens vervangende Andries Jansz. hun zwager, allen burgers van Dordrecht. Zij verlenen procuratie aan Jacob Schol. oud-burgemeester van Geertruidenberg, om van Andries Huijben en Braet Adriaensz., beiden wonende "op de Mede", hun aandeel in de nalatenschap van Adriaen Giel Cocken, in zijn leven wonende "op de Mede", de zoon van hun tante, op te eisen.
IIIa. Jan Cornelisz. Wor, schipper (1561, 1570), overleden in of na 1570
ORA Dordrecht inv. 703, f. 27: op 9 mrt. 1561 verklaart Neeltgen Dircxdr., huisvrouw van Job Nijssen, onlangs vernomen te hebben, dat haar man Job "zieckelijck ende cranck zijnde, gelaten ende gebleven is op Bernholm [= het eiland Bornholm in de Oostzee] in den dorpe van Santwijck in Ostlant, sonder dat zij nochtans weet off haeren man zedert dien tijt deser werelt overleden is ofte nijet. Heeft daer omme die seeckerheijt vandien te weten machtich gemaeckt mits desen Jan Cornelisz. Wor schipper ende poirter deser stede om vuijt haren naeme te moegen verreijsen nae den voersz. Job Nijssen haeren man" en, indien hij overleden is, zijn nagelaten bezittingen in ontvangst te nemen.
1 jan 1570: Jan Cornelisz . Wor, eigenaar van het schip "Johans Cruis" (karveel, 26 lasten) wordt burger van Embden
Bij een onbekende vrouw had hij een zoon:
1. Cornelis Jansz. Wor, volgt IVa.
IIIb. Sijbert Cornelisz. Wor, geboren ca. 1535, ziekenbezoeker (1582), trouwde Baertgen Bruijnen.
ORA Dordrecht inv. 736, f. 397v: verklaring dd 5 nov. 1582 door Sijbert Cornelisz. Wor, bezoeker van de zieken te Dordrecht, ongeveer 47 jaar oud, op verzoek van Marijcken Adriaensdr., weduwe van Cornelis Jansz. den Blauwen sledenaar.
Kinderen (volgorde onzeker, vermeld in ORA Dordrecht inv. 715, f. 163, akte dd 20 febr. 1584):
1. Sijbert Sijbertsz. Wor, geboren naar schatting ca. 1560, weduwnaar van Dordrecht (1600), schipper (1584), scheepskapitein in 's landsdienst (1601,1603), stadhouder van de schout van Dordrecht (1613), trouwde NG Dordrecht 23 jan./6 febr. 1600 Janneken Lieven Pelsmakersdr., van Hacht bij Mechelen (1600)
- 19 nov. 1603: op verzoek van Gijsbert Jansz., als vader van Lijsbeth Gijsbertsdr., verklaren Jan Apertsz., 52 jaar oud en Dirck Thonisz., 36 jaar oud, schippers en burgers van Dordrecht, dat zij samen met Severijn Jansz., burger van Dordrecht, te Oostende op het schip van kapitein Sijbert Sijbertsz. Wor als bootsgezellen gediend hebben en dat zij Severijn kort vóór zijn dood, toen hij "begaeft van de peste" was, hebben horen zeggen, dat hij wilde, dat de dochter van de rekwirant, zijn "pille" [petekind], al zijn goederen zou erven. (ORA Dordrecht inv. 899)
- 5 nov. 1613: Sibert Sibertsz. Wor, tegenwoordig stadhouder van Dordrecht, verklaart, dat hij in 1601 en 1603, toen hij als scheepskapitein in dienst van de Republiek binnen Oostende lag, aan wijlen Pieter Jansz. van Belle, toentertijd bosschieter op zijn schip, een bedrag van 80 gl. heeft voorgeschoten. (ONA Dordrecht inv. 11, f. 207v)
Kind:
1-a. Maria (Mariken) Sibertsdr. Wor, geboren Dordrecht 1602, "van Dordrecht" (1627), trouwde NG Dordrecht 31 okt./14 nov. 1627 Gijsbert (Gijsbrecht) van Dalen Johannesz., van Noordeloos (1623, 1627), weduwnaar wonende te Dordrecht (1627), trouwde 1e NG Dordrecht 9/23 april 1623 Aechtgen Baen Cornelisdr., "van Dordrecht" (1623)
2. Aechtken Sijbertsdr. Wor, trouwde ca. 1585 Geerit Petersz. (Gerrit Pietersz.)
3. Jan Sijbertsz. Wor (onmondig in 1584)
4. Neeltgen Sijbertsdr. Wor (onmondig in 1584), trouwde Jan Gijsbrechtsz.
IIIc Cornelis Cornelisz. Wor de jonge, geboren ca. 1535, viskoper (1585), trouwde 1e Margriete Claes Thomasdr. 2e Trijnken Reijersdr.
ORA Dordrecht inv. 702, f. 147: op 18 mrt. 1561 transporteert Cornelis Cornelisz. Wor, als man en voogd van Margaretha Claesdr. aan Neeltgen Adriaensdr., weduwe van Jacob Reijersz., een rentebrief van 6 Karolusgulden jaarlijks.
ORA Dordrecht inv. 703, f. 18: op 11 sept. 1561 transporteert Digna Claesdr., geassisteerd met haar gekoren voogd, aan Cornelis Cornelisz. Wor, als man van Margriete Claesdr., een jaarlijkse losrente van 9 gl., verzekerd op de helft van een huis en brouwerij, staande aan de Landzijde [Voorstraat] tussen het huis van Cornelis Cornelisz. Wor en dat van Job Cornelisz. wagenmaker.
ORA Dordrecht inv. 708, f. 30: op 15 juni 1568 compareren Jan Claesz., voor zichzelf, als erfgenaam van wijlen Digna Claesdr. en tevens procuratie hebbende van Bastiaen Willemsz., als man en voogd van Barbara Claesdr. en Cornelis Wor Cornelisz., als man en voogd van Margriete Claesdr.
ORA Dordrecht inv. 738, f. 275v, akte dd. 7 nov. 1585 vermeldt Cornelis Cornelisz. Wor viskoper, ongeveer 51 jaar oud.
ORA Dordrecht inv. 739, f. 43v: op 2 okt. 1586 verkoopt Cornelis Wor Cornelisz. viskoper aan Cornelis Thonisz. viskoper een huis in de Visstraat, staande tussen het huis van Adriaen Thonisz. kuiper en 's herenstraat, met vrije doorgang uitkomende in het Loverstraatje. Waarborgen: Jan Reijersz. in de Schoppen en Godtschalck Cornelisz. Wor kapitein. Cornelis Thonisz. is schuldig aan verkoper een somma van 937 gl. Borgen: Adriaen Thonisz. kuiper en Dirck Melisz. kleermaker.
ORA Dordrecht inv. 739, f. 51v: op 16 okt. 1586 verkoopt Huijch Jansz. een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Jan Willemsz. hellebaardier en dat van Willem van Bemont. Waarborg: Jan Reijersz. in de Schoppen. Koper is schuldig aan verkoper een bedrag van 1032 gl.
ORA Dordrecht inv. 739, f. 227: op 17 aug. 1587 verkoopt Willem van Dilsen aan Cornelis Cornelisz. Wor een huis aan de Poortzijde omtrent de Wijnbrug, genaamd "Middelborch", waar nu uithangt "den Griffoen" [sic], staande tussen het huis "de Wilde Weerelt" en het huis "den Both". Waarborg van verkoper is Jan van Dilsen. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 1275 Rijnse gl. Borg: Jan Reijersz. inde Schoppen.
ORA Dordrecht inv. 741, f. 267, akte dd 1591 vermeldt Trijntgen Reijersdr., weduwe van Cornelis Cornelisz. Wor, wonende in het Steegoversloot, moeder [stiefmoeder ?] van Cornelis Cornelisz. Wor, schoenmakersleerling
Uit het eerste huwelijk:
1. Cornelis Cornelisz. Wor, schoenmakersleerling (1591)
2. Lijsbet Cornelisdr. Wor
Uit het tweede huwelijk:
1. Reijer Cornelisz. Wor
2. Maricken Cornelisdr. Wor
3. Jan Cornelisz. Wor, volgt IVb
4. Agatha Cornelisdr. Wor
IVa. Cornelis Jansz. Wor, geboren naar schatting ca. 1570, schippersgezel (1594), trouwde NG Dordrecht 22 mei 1594 (ondertrouw) Adriaenken Pieter Jansdr., geboren naar schatting ca. 1570, "van Dordrecht" (1590), trouwde 1e NG Dordrecht 4 mei 1590 (ondertrouw) Jasper Laurentsz. Schot, schippersgezel van Dordrecht (1590), overleden tussen 1590 en 1594.
Kinderen:
A. Zoon van Jasper Laurensz. Schot en Adriaenken Pieter Jansdr.:
1. Jan Jaspersz. Schot, gedoopt NG Dordrecht mei 1591, jong gezel van Dordrecht (1619), schippersknecht wonende in het Torenstraatje bij Cornelis Adriaensz. Coopman schipper (1619), overleden 1658/1662, trouwde NG Dordrecht 3 mrt./ 2 apr. 1619 Marijken Gerrit Jordensdr., jonge dochter van Dordrecht (1619), woont bij Hendrik Tegens over het stadhuis in "het Rode Laken" (1619)
Kinderen uit dit huwelijk (allen NG gedoopt te Dordrecht);
a. Adriaenken, nov. 1619
b. Jasper, sept. 1621
c. Maeijken, nov. 1624
d. NN, jan. 1626
B. Kinderen uit het huwelijk van Cornelis Jansz. Wor en Adriaenken Pieter Jansz. (allen NG gedoopt te Dordrecht):
1. NN, juni 1594
2. NN, nov. 1596
3. Jan Cornelisz. Wor, volgt V
4. Berber Cornelisdr. Wor, febr. 1600, trouwde NG Dordrecht 7 mrt. 1621 Willem Maertensz. (Breemers, Bremars), jong gezel van Leiden (1621), hovenier (1621), trouwde 2e Mattheus Servaesz. van Gestel
ONA Dordrecht inv. 226, f. 383 e.v.: op 13 mrt. 1660 compareert voor notaris G. de With Berber Cornelisdr. Wor, weduwe van Willem Maertensz. Bremars, geassisteerd met haar [half]broer Jan Jaspersz. Schot en haar schoonzoon Johannes Verbeeck, als haar gekoren voogden. Zij verklaart verhuurd te hebben aan haar zoon Maerten Willemsz. Bremars "tuinman" een tuin met een woning daarin staande, gelegen op stadsgrond buiten de Vriesepoort van Dordrecht, achter het huis en erf van Dirck Otten, waard in de herberg "Ierland", belend door de "gemene vliet" aan de ene en de boomgaard van Dirck Otten aan de andere zijde.
ONA Dordrecht inv. 180, f. 10 e.v.: op 19 jan. 1662 compareerden voor notaris J. Melanen Luijcas Hansz., Lijntgen Cornelisdr. Coopmans, weduwe van Carel Arijensz., Berber Cornelisdr. Wor, weduwe van Willem Maertensz. Bremaerts en Geertruit Jordensdr., weduwe van Pieter Jansz. Wor, allen wonende te Dordrecht, naaste'"vrienden" en erfgenamen ab intestato van Jan Jaspersz. Schodt, resp. hun broer, oom en neef, overleden te Dordrecht. Zij verklaren machtiging te verlenen aan Aert Sijmonsz. de Kaeuw, schipper en burger van Dordrecht en aan Jaecques Pietersz. tavernier in het Molentgen te Antwerpen, om van mr. Pieter de Vriese en Gillis Scholier, de voorzoon van diens vrouw, wonende op het fort St. Anna in de Polder van Naemen, te ontvangen een bedrag van 250 Carolusgulden, zijnde de resterende kooppenningen en verschenen "paeijen" van een kromstevenschuit, die door Jan Jaspersz. Schodt is verkocht aan Gillis Scholier, onder borgtocht van mr. Pieter de Vriese, volgens koopcedul dd 17 mei 1658. Berber tekent met een merk.
[NG trouwboek Dordrecht 15 juni 1636: ondertrouwd Carel Ariensz. schippersgezel jongman wonende op de Hil en Lijntien Coopmans Cornelisdr. jonge dochter wonende in het Torenstraatje beiden van Dordrecht, getrouwd op 29 juni 1636]
ONA Dordrecht inv. 180, f. 651 e.v.: op 6 aug. 1664 compareert voor notaris J. Melanen Berber Cornelisdr. Wor, huisvrouw van Mattheeus Servaesz. van Gestel schoenmaker, wonende te Dordrecht, ziek in bed liggende, om te testeren. Zij benoemt tot erfgenaam haar voornoemde man, die slechts gehouden zal zijn na haar overlijden aan haar voorzoon Maerten Willemsz. Driemars [sic] of bij vooroverlijden diens kinderen en aan Maeijken Jansdr. Verbeeck, het dochtertje van Jannichien Willemsdr. Driemars, testatrices overleden dochter, elk een bedrag van 6 gl. uit te reiken. Zij tekent met een merk.
IVb. Jan Cornelisz. Wor, gedoopt NG Dordrecht 25 dec. 1581
V. Jan Cornelisz. Wor, geboren naar schatting ca. 1599, sledenaar van Dordrecht (1621), woonde in de Mariënbornstraat in "de Rode Laerse" (1621), trouwde NG Dordrecht 27 juni/18 juli 1621 Barbara Ariens, "van Sliedrecht" (1621), weduwe van Willem Otten sledenaar, woonde op de hoek van het Melkpoortje (1621)
Kinderen:
1. Cornelis, gedoopt NG Dordrecht okt. 1622
2. Pieter Jansz. Wor, volgt VI
VI. Pieter Jansz. Wor, gedoopt NG Dordrecht dec. 1624, molenaar (1650), trouwde NG Dordrecht 3 juli 1650 (ondertrouw) Geertjen Jordens (Wor), geboren naar schating ca. 1625 vermoedelijk te Zwijndrecht, dochter van Jorden Jacobsz. en Grietgje Jacobsdr. (Ronaer)
NG trouwboek Zwijndrecht: 1e gebod 3 juli 1650, bevestigd te Dordrecht: Pieter Jansz. Wor molenaar jongman van Dordrecht met Geertje Jordens jonge dochter van Zwijndrecht
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
1. Jan, 4 mrt. 1651
2 en 3. Jan en Grietge, 25 okt. 1654
4. Jan, 22 dec. 1655
5. Barbara, 3 apr. 1658
6. Jan, 6 okt. 1659
7. Jan, 5 dec. 1660
|